‘Ik heb Jan uitgemaakt voor stiekeme bejaarde kastnicht’ | Dani uit Best

Het is lang geleden, maar ik meen dat de herinneringen die ik eraan heb scherp en betrouwbaar zijn. Maar ik weet ook dat je dat kunt denken terwijl het niet helemaal zo is. Dat je brein dingen in de loop der tijd verminkt, herschrijft. Ik was zestien en had een verhouding met mijn buurman, een grote, behaarde bonk vriendelijk vlees met een snor en enorme handen. Hij heeft me iets heel belangrijks geleerd: met liefde naar mezelf kijken.

Redactie: Rits de Wit
Illustratie: Wilbert van der Steen

Hoewel ik niet zou willen dat zijn identiteit wordt onthuld, kan ik best zeggen dat hij Jan heette. Er zijn immers zoveel Jannen op deze wereld, in Nederland in het bijzonder, dat dat nooit zal leiden tot herkenning. Ik en mijn broertje mochten hem ook Jan noemen, direct vanaf het moment dat we ernaast kwamen wonen; niet meneer P. Hij stond erop. Een mevrouw P. was er niet, of misschien wel, maar in ieder geval niet in beeld. In het begin vergiste ik me nog wel eens. Als ik Jan, terwijl wij buiten speelden in de voortuin bezig zag op zijn vrije dag. Als hij groette en ik ‘Goedemiddag meneer P.!’ terugzei, keek hij me gemaakt boos aan en droeg me op hem met Jan aan te spreken. ‘Anders voel ik me zo oud’, voegde hij er altijd aan toe. Hij was natuurlijk ook oud, in onze ogen. Maar hij zag er zo anders uit dan onze eigen vader, die klein en dun en kalend was en altijd een pak droeg, zelfs in de vakantie. Deze Jan zal van dezelfde leeftijd geweest zijn, maar als hij vrij had en in de tuin werkte droeg hij meestal een T-shirt met een auto of een fles Cola erop en een spijkerbroek die altijd wat afzakte en aan de achterzijde een stukje spleet bloot liet dat zo donker behaard was dat het me – als ik er toevallig bij in de buurt stond – volledig betoverde.

Ik herinner me dat dat beeld, de groef met al die pikzwarte krulletjes erin, me soms de gehele dag bij kon blijven, dat ik het vies vond maar ook zo verschrikkelijk mooi en veelbelovend, dat ik er met mijn vinger langs wilde gaan en zien wat er zich verder naar beneden aan me zou openbaren. Ik had mijn vaders spleet nooit gezien, zo waren wij niet, en ik herinner me dat ik probeerde mijn eigen spleet te bekijken in de spiegel, wat niet echt lukte. Misschien maar goed want ik vond mezelf schriel en lelijk, te klein en te wit, niets aan mij was echt gelukt, vond ik. Ik snapte dat niemand me leuk vond, op school niet, in de buurt niet. Behalve Jan.

“Ik vond mezelf schriel en lelijk, te klein en te wit”

Hoewel hij het was die mij riep, die eerste keer, had ik toch het gevoel dat ík het had uitgelokt, dat ik al naar hem op weg was voor hij mijn naam noemde en zei dat ik door het gat in de schutting moest kruipen om te komen kijken naar de vogeltjes. Mijn moeder was met mijn broertje naar zwemles, mijn vader werkte en ik was bij Jan. Jan, die vanaf dat moment mijn leven zou veranderen. Die mij optilde om me te laten kijken naar die gekke piepende wezentjes in het boomnest. Ik zag niets, noppes; al mijn zintuiglijke energie ging naar de omklemming van zijn handen om mijn lijf, ik voelde mijn maag krimpen, mijn piemel groeien, mijn hart bonzen. Ik weet zeker dat hij dat merkte, toen, maar dat het niet diezelfde dag was dat ik voor het eerst op zijn bank lag, gedrukt tegen een enorme hoeveelheid warm vlees met overal zwarte krulletjes.

Het moet tijdens een latere zwemles zijn geweest, zoals er nog vele zouden volgen, dat het echt begon. Dat hij naar me keek en luisterde, me onhandig uitkleedde en zei hoe prachtig hij me vond, supermooi zelfs, dat hij mij streelde, met die enorme handen die me deden sidderen van opperst geluk. Ik weet nog hoe hij voor het eerst mijn piemel zachtjes aanraakte en hoe ik onmiddellijk snoeihard klaarkwam, hoe ik me verward en vies voelde daarna, hoe afstotelijk ik hem en zijn krulletjes plotseling vond, hoe graag ik naar huis wilde. Maar dat ik me voor ik goed en wel door de schutting was gekropen alweer bedacht, terugging, me op hem stortte en me voor het eerst van mijn leven intens veilig, mooi en gezien voelde. Ik fantaseerde. Dat we samen op reis zouden gaan en dat ik ieder moment dat ik het wilde mijn hoofd op zijn borst zou leggen, zijn zweet en zijn adem zou ruiken en daarvan in een vredige slaap zou vallen.

In werkelijkheid hadden we iedere week een uurtje samen. Ik ging uit mezelf naar hem toe, en hoewel hij nooit zei dat ik ‘er’ niet over mocht praten snapte ik dat, dit was natuurlijk een geheim, maar tegelijkertijd had ik het van de daken willen schreeuwen. Ik weet nog van de sok, een sok met zijn zaad die ik onder mijn kussen hield, tot mijn moeder hem in de was had gedaan. Hoe ik naar Jan toe was gegaan om te vragen of hij een nieuwe sok wilde ‘maken’, en dat we toen minstens een kwartier verschrikkelijk hebben gelachen over zaadsokken en hoe ik zou kunnen voorkomen dat mijn moeder hem zou vinden en in de was zou doen.

“Een sok met zijn zaad hield ik onder mijn kussen”

Ik ben er uiteindelijk zelf mee gestopt. Op mijn achttiende, een paar maanden voordat ik zou gaan studeren aan de universiteit. Ik was verliefd op een jongen van mijn eigen leeftijd. Jan heb ik toen verschrikkelijk gekwetst. Op een dag heb ik hem zijn sok teruggebracht en toen hij me, zoals gebruikelijk, wilde omhelzen heb ik hem uitgemaakt voor stiekeme bejaarde kastnicht en gezegd dat hij zich voortaan maar aan iemand anders moest vergrijpen. Ik ben op kamers gegaan en heb hem niet meer gezien. Tot mijn dertigste verjaardag. Op die dag stond hij, oud geworden, in zijn voortuin toen ik bij mijn ouders voor de deur uit de auto stapte. ‘Sorry Jan’, ontglipte me. Ik denk niet dat hij het gehoord heeft, maar aan zijn glimlach zag ik dat het goed was.

Wil jij jouw verhaal over een jammerlijk mislukte relatie ook in deze rubriek? Neem contact met ons op via: info@degaykrant.nl

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.