Bashir

Vorige week was ik bij mijn familie die in de buurt woont van de Franse stad Lyon. Ik vind Lyon een fijne en interessante stad. Mooi, historisch centrum, lekker eten (Paul Bocuse komt er vandaan) en een niet onaardige gayscene.

Nadat ik door de oude binnenstad had geslenterd en wat interessante plekken had bezocht, besloot ik iets te gaan drinken op een klein terras van een café in de Rue Romarin. Zoals bij meer zaken in deze straat hing ook hier een regenboogvlaggetje bij de voordeur.

Uit een boxje dat tegen de oude, houten pui hing, kwam zachtjes wat snerpende gitaarmuziek. De jonge ober met zijn lange, loshangende haren en met zijn zwarte t-shirt en zwarte, gescheurde spijkerbroek zou zo uit het hardrockcafé weggelopen kunnen zijn. Nu houd ik wel van eclectische sfeertjes en – zo bedacht ik me – er zijn vast ook gays zijn die liever headbangen op de scheurende gitaarmuziek van – ik noem maar wat – Black Sabbath dan heupwiegend dansen op de discodeuntjes van Dave’s ‘Dansez maintenant’.

Ik nam plaats naast een jongeman van een jaar of dertig met voorzichtig beginnend grijs, krullend haar en mooie, heldere, groengrijze ogen achter een vrolijk, rond brilmontuurtje. We begroetten elkaar, hij legde zijn boek op tafel en we raakten aan de praat. Patati, patata, koetjes, kalfjes, blablabla.

De jongeman heette Bashir en kwam uit Libanon. ‘Maar,’ zo haastte hij zich mij te melden, ‘Ik ben christen-Libanees.’ Van deze onschuldig lijkende nevenschikkende bijzin keek ik toch even verbaasd op. Hij zag mijn verbazing en zei: ‘Ik zeg het er altijd maar even bij.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik heb een sjiitisch-Libanees personeelslid gehad in mijn gayhotel in Amsterdam,’ zei ik. ‘Prima vent. Hij is teruggegaan naar Libanon, heeft er nu een vrouw en zoontje. Mijn personeelsleden, net als mijn vrienden, kennissen en sommige van mijn geliefden, komen overal vandaan en ik heb langere tijd met alle plezier in Marokko vertoefd.’

Bashir keek me met hernieuwde belangstelling aan. We spraken verder over diverse Arabische landen. Over de Arabische cultuur. Over de Libanese zangeres Fairuz en over de Egyptische zangeres Oum Khalsoum. Twee zangeressen waar ik een zwak voor heb. Hij bood mij nog een drankje aan. Ik nam nog een cola zero. Het was een aangename nazomermiddag, daar op het terras in het centrum van Lyon.

Plotseling draaide Bashir zich naar me toe en zei: ‘Ik kan het jou wel vertellen. Ik ben helemaal geen christen-Libanees. Ik ben sjiiet. Ik ben uit Libanon weggegaan omdat het leven voor homo’s daar toch stukken minder gemakkelijk is dan hier in Frankrijk.’

Ik knikte.

‘Daar in Libanon kan je niet zeggen dat je homo bent,’ zei ik, ‘En hier in Frankrijk kan je niet zeggen dat je moslim bent.’

‘Zowel in Libanon als in Frankrijk onderteken je een sollicitatiebrief met je naam,’ zei Bashir. ‘En je zet niet -tussen haakjes – ‘homoseksueel’ achter je naam.’

Of ‘Christen-Libanees.’

We zwegen. We keken voor ons uit naar het winkelend publiek dat langs het terrasje liep. Gezichten uit alle vier de windstreken schoven voor ons langs.

‘Tja, Europa en de Arabische wereld vormen thans niet het meest wrijvingsloze huwelijk,’ zei Bashir. Hij keek me aan. ‘Maar misschien moet ik me tot Frankrijk beperken. Ik weet niet hoe het in jouw land is, al heb ik wel een vermoeden.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik denk dat dat voor Nederland inmiddels ook geldt.’

Uit de box boven onze hoofden knalde plotseling eventjes heel harde gitaarmuziek. Het volume werd van binnenuit meteen weer zachter gezet, waarna de gitaarklanken weer net als voorheen over het terras kabbelden.

‘Zullen we bij de ober een liedje van Fairuz aanvragen?’ vroeg ik aan Bashir.

Hij schoot in de lach. Kletsend en van de zon genietend dronk ik langzaam mijn cola leeg waarna ik aanstalten maakte terug te lopen naar mijn auto in de ondergrondse garage van het nabijgelegen Place des Terreaux.

We namen hartelijk afscheid van elkaar. We gaven elkaar twee zoenen op de wangen, daar in de aangename nazomermiddagzon op een terras in een Franse stad.

‘Sa’altak habibi’ zei de jongeman met de vriendelijke groengrijze ogen.

Ik keek Bashir niet begrijpend aan.

‘”Jij vroeg mij, lief”. Dat liedje zou ik aangevraagd hebben.’

Ik knikte en glimlachte naar Bashir. Ik liep de rue Romarin uit. Op weg naar mijn auto. Op weg naar mijn familie in een dorpje vlakbij een Franse stad.

Een Arabisch deuntje neuriënd.


Misschien is onsterfelijkheid
het besef niet te hebben bestaan,

nooit ergens geboren te zijn,
nimmer ergens dood te hoeven gaan,

niet te hebben hoeven lijden,
geen angst te hoeven overwinnen,

niets te bezitten, niets te zijn,
niets te haten, niets te beminnen,

geen persoonlijkheid te hebben,
geen karakter te hoeven tonen,

op een niet bestaande planeet
niet in werkelijkheid te wonen.

Sterfelijk zijn de zoekenden.
Sterfelijk zijn erkenning en roem.

Ik overstijg de sterfelijkheid.
Incognito ergo sum.


Rick van der Made

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.