Over kind en identiteit

De Nederlandse pedagoge Frieda Heyting stelde in haar boek ‘Kind in de eenentwintigste eeuw’ uit 1999 al dat door zaken als de globalisering van de wereld, de toegenomen mobiliteit en de snelle informatie-uitwisseling de mens in de hedendaagse maatschappij steeds meer tot verschillende groepen behoort en dat dit de opvoeding steeds ingrijpender zal (moeten) bepalen. Immers, wij en onze kinderen komen steeds meer in contact met een hoeveelheid aan modellen en denkwijzen en dus ook met een toenemende hoeveelheid aan manieren om onszelf te definiëren. Volgens Heyting zal ‘multifrenie’ in de plaats moeten komen van de idee van die ene, stabiele en herkenbare, authentieke ‘zelf’ die meer en meer zal verdwijnen.

Uit het onderzoek van Ruth Soenen uit 1998 blijkt dat kinderen heel goed met verschillende identiteiten om kunnen gaan: zij beschikken over een arsenaal aan interactiewijzen waarmee zij de diverse waardensystemen waarin zij leven prima kunnen beheersen. Kinderen imiteren niet alleen aspecten van diverse groepen waartoe zij behoren, maar zij transformeren en creëren ze ook.

Ethno-psycholoog Jean Biarnès stelde eveneens in 1999 al dat de identiteit bestaat uit een persoonlijk, een cultureel en een universeel deel waartussen een zekere hiërarchie bestaat. Zo kan voor de een het sociale milieu veel belangrijker zijn dan nationaliteit. En in de loop van de tijd kan de hiërarchie veranderen.

Een voorbeeld: de homoseksuele Italiaan ten tijde van het fascisme van Mussolini wordt plotseling geconfronteerd met de repressie van de staat. Daar waar het homoseksuele aspect van zijn identiteit voorheen net als zijn beroep, zijn geloof, zijn patriotisme of zijn dorp belangrijk zal zijn geweest, zal zijn homoseksualiteit met de komst van de repressie een veel belangrijker deel van de identiteit gaan uitmaken en zelfs andere zaken (vaderlandsliefde, bijvoorbeeld) verdringen.

Het begrip identiteit wordt gevaarlijk wanneer groepen het culturele deel van hun identiteit zo hoog in de hiërarchie zetten dat de persoonlijke en universele aspecten verwaarloosd worden. Dan zal een Serviër geen overeenkomsten meer (willen) zien met zijn Kroatische of Kosovaarse buren en kennissen. Dan zal een Turkse Nederlander geen hobby meer kunnen delen met een Koerdische Nederlander. Dan zal een Dordrechtenaar geen carnaval meer kunnen gaan vieren in Maastricht. Dan zal een islamitische man geen handen meer willen schudden met een vrouw of met een homoseksueel.

Het is de moeilijke maar noodzakelijke taak van de opvoeders om voor kinderen steeds weer het onderscheid te kunnen maken tussen met name de persoonlijke en culturele aspecten van de identiteit. De Frans-Libanese schrijver Maalouf stelt dat het voor het kind van het grootste belang is dat we vooral de complexiteit van de identiteit blijven benadrukken.

Amin Maalouf

Een godsdienst kan prima onderdeel uitmaken van elke complexe identiteit en voor heel veel mensen geldt dat dat ook zo is en – zonder hier in te willen gaan op de discussie over openbaar en bijzonder onderwijs (of over de bekostiging van godsdienstonderwijs) – heb ik weinig bezwaar tegen godsdienstlessen op scholen. Ik heb zelf als kind jarenlang godsdienstlessen gevolgd en ik ben er – voor zover ik kan inschatten – echt geen slechter mens door geworden.

Maar zodra godsdienstlessen aan kinderen misbruikt worden om er een verborgen leerplan doorheen te duwen, waarin enkel ruimte gecreëerd wordt voor de verheerlijking van de eigen culturele-religieuze aspecten zonder deze te plaatsen in een grotere maatschappelijke, universele en individuele context, vind ik het al snel een ander verhaal worden.

Toen Maalouf op de Franse televisie ooit gevraagd werd of hij half Frans of half Libanees was, antwoordde hij: ‘Helemaal niet. De identiteit laat zich niet in vakjes stoppen of in helften verdelen. Ik heb niet meerdere identiteiten, maar één enkele, gemaakt van alle elementen die haar gevormd hebben volgens een bijzondere dosering die nooit dezelfde kan zijn als die van een ander.’

Ook op bijzondere scholen zal buiten de godsdienstlessen de kinderen geleerd moeten worden dat elk kind een individu is, dat elk kind in een bepaalde cultuur geboren wordt en dat we in de wereld – maar vooral in dit land – afspraken hebben gemaakt over de waarde van ieder bestaan, over een ieders vrijheid en over het recht op eigenheid voor ieder mens. En voor ieder kind.

Het kind dat van nature iedere meervoudige identiteit zoveel makkelijker omarmt dan menig volwassene.


In het portret dat hij tekent
ligt onder donkergrijs grafiet
elk feit uit ver verleden tijd.

De onbetwistbare waarheid
die onder de lijnen verschijnt,
daar had hij niet op gerekend.

De levenslijn als prikkeldraad,
gewonden om granieten hart,
was bij geboorte niet beloofd.

Maar wat is feit? Wat is waarheid?
Wie bepaalt het spel van lijnen?
Wiens verhaallijn zit in zijn hoofd?

Hij versnipperde het portret.
Het betwistbare felle licht
op feit en waarheid werd gedoofd.

In het zelfportret dat hij schetst
ligt onder onzichtbaar grafiet
een nieuw hart, waarachtig fragiel.

Het is de punt. Er is geen lijn
die feit verbindt aan waarheden.
Hij bepaalt zijn eigen figuur.

Het is de punt. En hij verbindt
zich niet aan verleden. Enkel
aan de niet getekende ziel.


Rick van der Made

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.