Jacob Gelt Dekker (71) overleden

De flamboyante en eigenzinnige zakenman en filantroop Jacob Gelt Dekker is na een slopende ziekte overleden. In zijn huis in Florida stierf hij, maakte zijn uitgever bekend. Na zijn studie medicijnen begon hij als tandarts maar dat bestaan ruilde hij nog voor zijn dertigste om in dat van ondernemer. Hij schuwde de publiciteit bepaald niet en kon in interviews en optredens fel uit de hoek komen als hij het ergens niet mee eens was. Dat bracht hem nogal eens in conflict.

Tekst: Paul Hofman

Fortuin vergaarde hij met de fitnessketen Splash, de One Hour Super Photo-winkels en autoverhuurbedrijf Budget Rent a Car. Hij bleek een goede neus voor zaken te hebben. Na verkoop van zijn succesvolle bedrijven kwam hij in de Quote top 500 terecht. Zijn vermogen werd geschat op 250 miljoen euro.

Curaçao

Vanaf de jaren negentig was Gelt Dekker actief op Curaçao, het eiland waarmee hij een haat-liefde verhouding had. Maar het Caribische eiland bleef een aparte plaats in zijn hart houden. Ondanks de verkoop van zijn firma’s bleef hij zakenman in hart en nieren. “Ik houd nu eenmaal van ondernemen.” zei hij in een interview dat wij met hem hadden. Op Curacao kocht hij hotels die vervolgens renoveerde. In de hoofdstad Willemstad liet hij een klein deel van de verpauperde wijk Otrobanda renoveren. Hier kwam het Kura Hulanda complex tot stand met daarin onder meer een slavernijmuseum en een luxe hotel. Niet bij iedereen was Gelt Dekker geliefd. Sommige politici konden zijn bloed wel drinken als hij weer een harde uitspraken deed over de corruptie en de politiek op het eiland. Op een gegeven moment was de maat vol en werd er zelf een actie gestart om hem tot persona non grata te verklaren. Maar zover kwam het uiteindelijk niet.

Reguliersdwarsstraat

Was hij ijdel en een egotripper? Dat eerste zeker maar dat tweede betwijfelen anderen. Zelf zei hij hierover: “Ik heb gepoogd een ommekeer in de Curaçaose samenleving te bewerkstelligen.” klonk het uit zijn mond. Hij woonde afwisselend in New York, Amsterdam en Florida, waar de miljonair huizen bezat. Als hij in de hoofdstad was, ging hij alleen of met zijn partner John Padget graag een drankje drinken in de Reguliersdwarsstraat. Vol passie vertelde hij vaak over zijn belevenissen en zijn visie op de samenleving van Curacao. “Er was een enorme neerwaartse spiraal. Het barstte van de drugsverslaafden. De economie kromp ieder jaar weer 5, 6, 7 procent. Dat is nu anders. De economie groeit weer, en ik denk dat ik daarin een rol heb gespeeld.”

Gelt 

Gelt Dekker, als boerenzoon geboren net boven Alkmaar, werd overigens geboren als Jaap Dekker. Door zijn vergaarde vermogen voegde hij met een knipoog het woordje Gelt aan zijn naam toe. Voor zijn filantropie kreeg hij meerdere onderscheidingen. In de afgelopen twintig jaar vertrouwde hij zijn gedachten regelmatig toe aan papier. Zo schreef hij een boek over zijn leven, zijn persoonlijke strijd tegen borstkanker en zijn zakelijke successen. Vorig jaar kwam zijn laatste boek met de titel The Caribbean uit. Zelf wist hij al dat hij niet oud zou worden. Vaak sprak hij over de dood. Volgens zijn uitgever noemde hij zijn laatste werk ‘zijn ticket naar de onderwereld.’ Hij laat zijn jarenlange vriend John Padget verdrietig achter.


Zijn leven

Over zijn jeugd en ouders was hij niet bepaald mild. In een interview met dagblad Trouw in 2013 zei hij:” “Mijn ouders waren onaangename mensen aan wie ik geen bal heb gehad. Wat moet ik over die lui zeggen? Mijn vader was een Joodse man, uit Amsterdam. Zijn vrouw en kinderen zijn in 1944 omgekomen. Ik weet niet hoeveel kinderen er waren, of wat er nou precies is gebeurd – ik meen dat er een vliegtuig op hun huis was neergestort – omdat hij er nooit over heeft willen praten. Zelf zat hij in die tijd ergens ondergedoken. Hij trouwde met de dochter van de boer. Daarna kwam ik. O ja, en er was nog een oudere broer, zijn zoon of de hare, dat weet ik niet meer. Het was een sadistische jongen die mij zonder reden in elkaar sloeg, of sigarettenpeuken op mijn lijf uitdrukte. Hij is gelukkig al lang dood.”

Ramp

Het huwelijk van mijn ouders was een ramp. “Geen idee waarom die twee ooit zijn getrouwd. Mijn moeder minachtte mijn vader. Ze vond hem een smerig Joods mannetje. Uit Amsterdam. Dus een oplichter. Je moet niet vergeten dat de onderduikers niet altijd uit liefde in die boerengezinnen werden opgenomen; er viel ook gewoon veel geld mee te verdienen. Mijn vader had een paar panden die hij in Amsterdam bezat verpand en de hypotheekakte als een soort garantie afgegeven, maar na de oorlog waren zijn huizen ingepikt of afgebroken. Had hij, volgens zijn schoonvader de zaak dus opgelicht.”

Hysterisch

Over zijn moeder: “Dat was een hysterische vrouw. Ze heeft meerdere keren geprobeerd zichzelf van het leven te beroven. Om de zoveel tijd kwam er iemand vertellen dat ze weer eens van de brug was gesprongen. Er was kennelijk altijd iemand in de buurt om haar op tijd te redden. Dan werd ze een tijdje in het gekkenhuis opgeborgen waarna de ellende weer van voor af aan begon.
Moederliefde heeft Gelt Dekker nooit gekend. “Ze had een onvoorstelbare hekel aan me. Als ik uit school kwam, kreeg ik letterlijk van alles naar mijn hoofd gegooid. Servies, bestek, zomaar, uit het niks. Ik kan mij niet anders herinneren dan dat ik, als zes- zevenjarige, voortdurend voor haar op de vlucht was.”

Aftrekken

“Het ging helemaal mis tussen mijn ouders en mij toen ik in de vierde klas van de lagere school zat. Er was een onderwijzer, meneer Zwitser, die mij na schooltijd liet nablijven, zogenaamd voor een klusje, of om nog extra les te geven. Dan pakte hij me vast en begon zich af te trekken. Ik mocht niet omkijken, want dan kreeg ik een klap met de lineaal. Op zich kon ik dit nog wel verdragen – alles beter dan terug naar huis te moeten gaan – maar meneer Zwitser voelde zich, als hij klaar was, zo vreselijk schuldig dat hij mij van ellende een pak rammel gaf. Om mijn blauwe plekken te verklaren gaf hij me een briefje voor mijn ouders mee: ik had me misdragen en daarom had hij me moeten straffen. Lijfstraffen waren toen nog heel gewoon.”

Boekhok

“Op een dag had hij mij, na zijn daad, zó hard geslagen dat ik bewusteloos was geraakt. Hij moest toen wel medische hulp vragen en heeft later, toen de verdachte omstandigheden werden onderzocht, bekend wat er was gebeurd. Meneer Zwitser belandde in de gevangenis. Mijn ouders waren woedend. Op mij. ‘Smerig kind,’ gilde mijn moeder, ‘je hebt die arme man natuurlijk verleid!’ Ze heeft actie gevoerd om hem weer vrij te krijgen – ik weet niet meer of het haar is gelukt. Ze heeft het in ieder geval voor elkaar gekregen dat iedereen ging geloven dat ik, op een of andere manier, de aanstichter was geweest. Ik mocht niet langer bij de andere kinderen in de klas zitten. Er werd een boenhok leeggehaald waar ik in mijn eentje de twee laatste jaren van de lagere school heb doorgebracht. Ik moest later beginnen en ik mocht pas naar huis als alle kinderen weg waren. Thuis, waar mijn broertje en mijn moeder klaarstonden om mij op m’n lazer te geven. Ik weet niet waar mijn vader was. Die bemoeide zich liever niet met mij.”

“Na een hoop geruzie mocht ik wel naar de middelbare school, zo lang ik maar niet meedeed aan gymnastieklessen want o jee, dat jongetje is beslist niet zuiver! In die tijd ben ik buiten schooltijd om allerlei baantjes gaan doen. Rond mijn dertiende ben ik, als het thuis weer eens uit de hand was gelopen, perioden op kamers gaan wonen. Na een paar jaar was ik voorgoed het huis uit.”

Hypocriet

“Vanaf toen speelden mijn ouders geen rol meer in mijn leven. Ze lieten mij onverschillig. Ik ging medicijnen studeren, betaalde alles zelf. Ik ontworstelde me niet alleen aan mijn ouders, maar aan die hele hypocriete calvinistische kliek. Het is me gelukt om het juk van die Hollandse benauwdheid van me af te schudden. Ik had mezelf opgevoed, mezelf normen en waarden bijgebracht. Uiteindelijk ben ik daar best ver mee gekomen, misschien heb ik mijn succes in zaken wel aan die moeilijke jaren te danken.”

“Mijn moeder is zestig geworden, of zoiets. Op een dag werd ik opgebeld door een jaargenoot. Hij zei: ‘Ik heb een patiënt, en volgens mij is het jouw moeder. Als je haar nog een keer wil zien, moet je nu naar het ziekenhuis komen want ze heeft vergevorderde alvleesklierkanker en ze is er slecht aan toe.’ Ik ben gegaan. Ze lag op een kamer met nog een paar vrouwen. Ik stond al een tijdje bij één zo’n bed te kijken, toen een verpleegster mij kwam waarschuwen: ‘Eh… meneer, uw moeder ligt dáár.’ Ik had geen idee hoe dat mens eruit zag. Het zei me niets. Ik weet niet meer of ik alsnog naar haar ben toegegaan; ik heb er geen enkel beeld meer bij.”

“Over mijn vader kan ik je ook niet veel vertellen. Hij heeft zijn vrouw nog een tijd overleefd. Tijdens een van onze laatste ontmoetingen, zei hij: ‘Ik heb nooit van je moeder gehouden.’ Moet je je voorstellen: wij zagen elkaar één keer in de vijf jaar, hooguit een kwartier, en hij vond het nodig om alleen zoiets tegen mij te zeggen.”

Geen liefdesband

“Nee, ik voel geen verdriet. Waar zou ik verdrietig om moeten zijn? Er was geen band. Er was geen liefde. Er was niks. Als je niets hebt, kun je ook niets verliezen. Bovendien heeft die jeugd mij een enorme vrijheid gegeven; toen ik op de universiteit begon had ik al een heel leven achter me.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.