Can kan schrijven

Vorige week donderdag ging ik op bezoek bij mijn Turkse vriend Can. Ik moest die avond naar een theatervoorstelling en hij had me uitgenodigd van tevoren bij hem te komen eten.

Can woont sinds een aantal jaren in Amsterdam, werkt voor een bank, is intelligent, grappig, belezen en homoseksueel en hij is (ongelovig) opgevoed door zijn moeder – een psychologe uit Istanboel – die nooit een probleem van zijn homoseksualiteit heeft gemaakt.

Hij kwam naar Nederland om als auditor voor een Turkse bank te gaan werken. Dat bleek niet altijd gemakkelijk te zijn. Veel Turkse collega’s waren nogal streng in de leer als het om Turkije of het geloof ging en dat vond mijn vriend lastig.

Varkensvlees eten, alcohol drinken, openlijk homoseksueel zijn en geen voorstander van Erdogan zijn: het werd hem door sommige collega’s niet in dank afgenomen. ‘Ik was voor veel Turkse collega’s die vrijgevochten homo uit Istanboel,’ vertelde hij mij.

Can besloot voor een Nederlandse bank te gaan werken. Daar kreeg hij – naast veel Nederlandse collega’s – een Turkse vrouw als collega die zo’n beetje hetzelfde over de zaken in de wereld dacht als hijzelf. Zij vertelde hem dat een Nederlandse collega haar in het begin van haar carrière had gezegd hoeveel geluk ze wel niet had daar te mogen werken. ‘Als je in Turkije was gebleven, zou je nu met een hoofddoek om thuiszitten,’ had de man haar onder het mom van een grapje breed glimlachend laten weten.

‘Veel Nederlandse collega’s blijven ons toch als “De Turken” zien,’ vertelde Can mij terwijl hij een glaasje raki voor me inschonk. ‘We moeten ons keer op keer verantwoorden voor wat Erdogan uitvreet en voor het nationalisme van Nederlandse Turken. We blijven Nederlanders maar uitleggen dat wij in onze vrije tijd meer doen dan alleen maar andere Turken opzoeken. En een en dezelfde collega heeft mij nu al drie keer verbaasd gevraagd: ‘Goh, eet jij varkensvlees?”

Alhoewel de Frans-Libanese socioloog Maalouf al in negentienachtennegentig in zijn boek ‘Moorddadige identiteiten’ over identiteit als over een roman schrijft (ieder schrijft zijn eigen geschiedenis, rekening houdend met wat we ons herinneren uit de traditie, de symbolen en overleveringen van de groepen waartoe we behoren, maar ook rekening houdend met de individuele toekomst die we voor ogen hebben) blijkt het voor velen toch heel lastig ieder mens als individu te zien.

Een ieder schrijft misschien dan wel zijn eigen roman, maar ‘de ander’ wil toch heel graag weten onder welk kopje die roman in de bibliotheek terug te vinden is.

Ben jij nou thriller, science-fiction of een literaire roman?

Ondanks dat onze identiteit volgens Maalouf een unieke samensmelting is van vele verschillende elementen die voor iedereen anders in elkaar vallen en die in de loop van de jaren ook voortdurend verandert (mensen integreren aspecten van de groep, maar ze transformeren ze ook: het individu bouwt een identiteit op die refereert aan zowel de symbolische band die hij heeft met de groepen waartoe hij behoort als aan een uniek, persoonlijk element, in functie van zijn geschiedenis, zijn levensloop) vindt ‘de ander’ het toch vaak veel gemakkelijker naar believen die enkele aspecten uit die enorme hoeveelheid identiteitselementen te kiezen die voor ‘de ander’ het beste uitkomen. En niet geheel toevallig zijn dat vaak de elementen die in de media het meest belicht worden.

Turk = Erdogan = moslim = nationalist.

Veel van wat Can vertelde herkende ik in mijn functie als columnist. Toen ik me een keer in een column in een maandblad afvroeg hoeveel LHBT+ers een kring om een moskee zullen maken als deze weer eens door rechts-extremisten beklad wordt, vond een lezer het nodig mijn schrijven weg te zetten als “links theedrinkgelul.”

Maar toen ik een tijdje geleden in De Gaykrant de opmerking maakte dat ik ooit lastiggevallen was door “teveeltestosteronmarokkaantjes”, terwijl ik in dezelfde column schrijf over mijn zorgen over het welzijn van een joodse vriendin, over mijn werk voor stichting Pink Marrakech en over de broodnodige bescherming van álle minderheden in Nederland, vond een lezeres het nodig mij uit te maken voor racist.

En op het moment dat ik aangeef dat ik elk geloof als instituut met de nodige argwaan benader en dat ik die instituten graag in de marge van de politieke macht wil zien, terwijl ik in precies dezelfde column schrijf hoe fijn ik het vind als ik mijn hotelbedrijf in Amsterdam binnenkom en ik mijn Marokkaanse receptionist aan gasten hoor uitleggen waar de gay-uitgaansgebieden in onze hoofdstad zich bevinden, of als ik mijn gehoofddoekte ontbijtdame plezier hoor maken met het oudere gay-echtpaar dat in mijn hotel verblijft, word ik door een lezer toch uitgemaakt voor islamofoob.

Opkomen voor islam = links = Job Cohen = theedrinkgelul

Geloofskritiek = voorstander boerkaverbod = pegida = islamofoob

Mijn vriend Can en ik waren het al snel met elkaar eens.

‘Ik zou graag zien,’ zei hij, ‘Dat mensen mijn levensroman lezen zoals deze bedoeld is: als een individueel verslag van een door mijzelf afgelegde tocht en van een voor mij hopelijk hoopvol toekomstpad waarin de lezer mij genoeg ruimte biedt om te kunnen zijn wie ik wil zijn zonder mij steeds als een eendimensionaal, plat karakter af te schilderen.

Ja, ik ben Turk. Ja, ik ben homo. Ja, ik eet varkensvlees. Ja, ik houd van Amsterdam. Ja, Erdogan kan de pot op. Ja, ik houd van Istanboel. Ja, ik drink alcohol. Ja, mensen mogen best een hoofddoek dragen. Ja, ik geloof in vrijheid van godsdienst. Ja, ik ben ongelovig. Ja, ik zwaai tijdens Pride met de regenboogvlag.’

Ik knikte.

‘Jij bent het boek Can.’

Hij knikte.

‘Jij bent het boek Rick.’

‘Ja. In de bibliotheek kunnen ze mij vinden onder de M van “Van der Made” en niet onder de T van “theedrinkgelul” of onder de I van “islamofoob”.

‘We zouden een theatervoorstelling van onze romans moeten maken,’ zei Can.

‘Goed idee,’ zei ik en ik nam nog een slokje raki.

(Can is een schuilnaam. Uit angst lastiggevallen te worden, wilde hij niet dat zijn echte naam in deze column verscheen. Red.)


Het kind had last van grote dromen,
van fantasieën die almaar stromen,
van diepkleurrijk hartsverlangen,
van ongebreidelde gedachtengangen,
van tomeloze hoop,
van bodemloze wensen,
van de kleurloosheid
van andere mensen

van wie het niet hoog van de torens mocht blazen,
zijn naam niet mocht schrijven op deuren en glazen,
van wie het niet naar de sterren mocht reiken,
van wie het niet boven het maaiveld mocht kijken,

maar het kind blies toch, het reikte en schreef,
het sprong en sprong, hoger dan het graan,
het droomde, stroomde,
verlangde en keek
hoe niet langs kleurloosheid
van de ander te gaan.


Rick van der Made

One thought on “Can kan schrijven

  1. Joshua Verhoeven schreef:

    Wat een geweldig mooi geschreven verhaal en dito gedicht. Toppie en waren we allemaal maar zo als Can .Het kan dus wel .

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.