51 roze lentes 

Afgelopen zondag ben ik eenenvijftig geworden. Ik keek mezelf op de ochtend van mijn verjaardag eens goed aan in de spiegel, zag enkele nieuwe kraaienpootjes rond mijn ogen en pakte de ingelijste familiefoto erbij, die gemaakt is toen mijn vader vijftig werd (in negentienvijfentachtig) en ik vergeleek mezelf met hem.

Op de overbelichte foto leek mijn vader wel zeventig: wit haar, verweerd gezicht met een ietwat strenge blik, gestoken in een saai, stijf pak met nog saaiere stropdas.

Merkkleding, sportschool, visoliecapsules, detox, ontstressen, gezichtscrème, schoonheidsspecialist, creatine, vitaminepreparaten: het zei mijn vader allemaal niets.

Bourgondisch leven vond hij belangrijker dan een mooi pak. Mijn moeder kookte lekker oud-Hollandsch: met een goeie schep zout en veel, heel veel boter. Hij nam dagelijks een flinke scheut rode wijn en hij rookte zijn sigaretje (niet veel, maar toch) en als de twee schoonzonen er waren, werd er een sigaartje opgestoken. Ik geloof niet dat mijn vader zich ooit druk heeft gemaakt om welke kraaienpoot rond zijn ogen dan ook. Een leeg wijnglas was veel erger.

Ik daarentegen kan soms een verschrikkelijke ijdeltuit zijn, vooral als het weer lente is en de op de kalender met roze stift omcirkelde roze festiviteiten met rasse schreden naderen.

Maar met het klimmen der jaren merk ik dat ik het eigenlijk wel best vind dat dat buikje toch écht niet meer vanzelf zal verdwijnen, dat ik de boodschappen bij Albert Heijn ook prima in een oude joggingbroek en in afgetrapte Primark-instappers kan doen en dat ik niet bij elk nieuw ontdekt rimpeltje in paniek mijn nagel stuk moet typen op mijn mobiel om direct de botoxdokter te bellen.

“Mensen bereiden zich slecht voor op het ouder worden,” zei mijn Rotterdamse, zeventigjarige buurvrouw Mitzi ooit eens tegen mij. Ik was destijds nog net geen dertig en ik begreep eigenlijk niet zo goed wat ze bedoelde. Immers, de jeugd snapt niets van ouderdom. En dat is misschien maar goed ook: je kunt geen belofte van de toekomst zijn als je de last van teveel verleden met je mee moet torsen.

De zaterdag voor mijn verjaardag deed ik weer eens mee met het altijd gezellige buikspierkwartiertje van mijn sportschool. Al zittend moest ik met mijn vingertoppen mijn tenen aanraken. Ik boog wat naar voren. Mijn vingers kwamen niet verder dan mijn knieën. “Verder Rick! Naar je tenen!” riep de vierentwintigjarige trainer Lesly, die breedlachend zijn schoenen vastpakte zonder zijn benen te hoeven buigen. Ik keek mijn zestigjarige buurman aan, die hijgend op zijn matje naast me zat. Hij tikte met de vinger tegen zijn voorhoofd en pakte zijn boeltje bij elkaar.

Ik ging achterover liggen op mijn matje. Ik dacht aan in Croma gebakken koteletten, aan gekookte aardappels met jus, aan een enorme fles rode wijn, aan koffie met appeltaart en veel, heel veel slagroom.

“Kom op, Rick,” riep Lesly, “Je bent toch geen bejaarde!” “Morgen word ik eenenvijftig,” riep ik terug. “Oooh… Bijna bejaard dus!” riep de grapjas.

“En na al dat lekkers een dikke sigaar toe,” dacht ik, terwijl ik probeerde weer net zo vruchteloos als voorheen met mijn vingertoppen mijn tenen aan te raken.

“Dan maar Pride met een buikje.”


Mijn vader, mijn broer

In jouw ogen schittert er iets van hem –
ik zie zijn stil doorzettingsvermogen
Ik hoor zijn zacht timbre – ingetogen –
in jouw roodfluwelen baritonstem.

In jouw oogopslag fonkelt heel even
kleur van bloedwijn, ader van ons bestaan
en in jouw blik – vanachter dood vandaan –
weerspiegelt zich de kleur van mijn leven


Rick van der Made

Foto: Bert Waber

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.