Mijn vader

Gisteren – acht april – was de sterfdag van mijn vader. Hij overleed vijftien jaar geleden. 

Mijn vader hield van zijn vrouw.

Zij was een lieve, zorgzame, kunstzinnige vrouw die, nadat ze uit het klooster was getreden, moeder werd van vier kinderen.

Mijn vader hield van mij.

Ik was zevenentwintig toen mijn eerste publicatie verscheen in een tijdschrift voor Pedagogische Wetenschappen. Ik had het tijdschrift aan mijn vader gegeven die het artikel meteen begon te lezen. “Goed zo, jongen” zei hij tegen mij, stond op van zijn leesstoel en ging over tot de orde van de dag. Geen poespas. Geen tranen van geluk. Geen slingers. Geen champagne. Alleen maar een “Goed zo, jongen”.

Door zijn spaarzame complimenten waren deze drie woorden mij net zoveel waard als de duurste fles Veuve Cliquot.

Na mijn vaders dood hoorde ik van zijn jongste broer dat hij het artikel gekopieerd en – secuur als hij was – netjes uitgeknipt had en dat hij het tot aan zijn dood altijd in de binnenzak van zijn favoriete colbert had zitten.

Soms, in gezelschap en als de gelegenheid daar was, haalde hij het kopietje tevoorschijn, schoof het over tafel naar de toehoorder toe en zei: “Kijk, heeft ons Rick geschreven.”

Ik heb dat bij zijn leven nooit geweten.

Hij hield van alle vier zijn kinderen.

Zijn vier kinderen waarvan er drie homoseksueel bleken te zijn. Alleen zijn oudste dochter hoefde niet uit de kast te komen. Zij trouwde met een uit Turkije gevluchte Koerdische intellectueel en kreeg met hem vier kinderen. Het was een bont allochtoon gayfriendly gezelschap, daar in het katholieke Brabant in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

Mijn vader hield van zijn broers en zussen. Ik heb zelf veel contact met zijn een na jongste broer. Die trouwde ooit met een Française om er zo’n twaalf jaar en twee kinderen later achter te komen dat hij toch echt op mannen viel. Mijn oom is inmiddels tachtig, hij is overgrootvader en – hoe kan het ook anders – van zijn vijf kleinkinderen zijn er ook weer twee homoseksueel.

Er werd – en wordt – in mijn familie nooit heel nadrukkelijk stilgestaan bij homoseksualiteit. Het was – en is – geen issue. Het is zoals het is. De een valt op blond, de ander op donker. De een valt op mannen, de ander op vrouwen.

Mijn vader hield van lezen.

Enkele maanden nadat mijn moeder overleden was, ruimde mijn vader zijn boekenkast uit. Hij gaf bijna al zijn boeken aan zijn kinderen. De enige boeken die in de kast bleven staan, waren alle dagboeken van Hans Warren en het hele oeuvre van Gerard Reve. Toeval of niet, het waren twee homoseksuele schrijvers.

Mijn vader overleed plotseling.

Vijftien jaar geleden. Hij had het laatste deel van de dagboeken van Hans Warren al aangeschaft, maar nog niet kunnen lezen. Alle kinderen en schoonkinderen hebben wat in het boek geschreven en we hebben het boek in de kist gelegd en samen met mijn vader begraven.

Mijn vader was een man die zonder al te veel woorden te gebruiken, zijn kinderen accepteerde zoals ze waren. Hij maakte deel uit van de generatie mannen die de weg vrijmaakten voor een opener samenleving. Een opener opvoeding. Voor meer diversiteit. Mijn oom moest eerst nog trouwen voordat hij voor zijn geaardheid durfde uitkomen. Mijn broer, mijn zusje en ik konden zonder al te veel problemen aan vader (en moeder) vertellen dat wij voor onze toekomst toch een wat minder geijkt pad zouden uitstippelen.

We hebben mijn vader nooit gevraagd waarom alleen de boeken van Warren en Reve in zijn kast stonden. Dat doet er ook niet toe. Vader hield van deze twee auteurs zoals hij van zijn kinderen en kleinkinderen hield: zwijgend, stil genietend en benieuwd naar wat voor verrassingen de toekomst voor hem in petto had. Glimlachend. Zonder oordeel.

Deze column schrijf ik voor mijn vader. Vader van drie homoseksuele kinderen, opa van vier allochtone kleinkinderen. Ik wens elk homoseksueel kind op de wereld zo’n vader toe. Ik wens elk kleinkind zo’n opa toe.

Een grootvader met Gerard Reve in de kast.

Een vader met Hans Warren in de kist.

In gedachten zie ik hem mijn artikel uit de binnenzak van zijn lievelingscolbert halen, naar Onze Lieve Heer toelopen – die in een gerieflijke leesstoel ‘Nader tot u’ aan het lezen is – en hoor ik mijn vader zachtjes tegen Hem zeggen: “Kijk, heeft onze Rick geschreven.”

Ik ben blij je zoon te mogen zijn geweest.

Een zoon met Reve en Warren in de kast.


Als ik mijn vader mis, klim ik in de eik
die hij voor mij plantte toen ik werd geboren

In zijn armen kan ik schuilen; de bladnerven fijn als kraaienpootjes schudden om mij heen

Op zijn schoot, met benen bungelend over een knoest, met in mijn handen een boek, voel ik mij nimmer verloren

Al kan ik verdwalen in zijn schaduw, ik voel me er altijd een beetje minder alleen

Ik spring van zijn tak zoals ik moest springen van zijn hart toen dat onverwacht ophield met slaan

De zon schijnt op de ent die zo lijkt op zijn lach, zijn robuustheid maakt me verdrietig en blij

Ik loop weg van de eik, fluister ‘ik kom hier gauw terug’ en struikel over wortels die me niet willen laten gaan

Met het beeld van zijn stam stevig als een grafsteen in mijn hoofd, is elke eenzaamheid minder dichtbij


Rick van der Made

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.