Het ‘homohuwelijk’ en mevrouw Kamoes

Gisteren, 1 april 2019, bestond het ‘homohuwelijk’ achttien jaar. Sindsdien zijn er nogal wat termen veranderd. 

Reeds in 1969 was het homohuwelijk een actiepunt van de door Harry Thomas opgerichte ‘Homofielenpartij’. Nu klinkt ‘homofiel’ hopeloos ouderwets en wordt het woord zelfs als eufemisme gezien dat de seksualiteit ontkent. 

In 2007 vierden we in Amsterdam nog ‘Gay Pride’, waarvan inmiddels het woordje ‘Gay’ afgevallen is, en ‘homo-emancipatie’ is vervangen door ‘LHBT+ emancipatie’, al blijft daar enige onduidelijkheid over bestaan. De een kiest voor LHBTI, de ander voor LHBT+, weer een ander voor LGBTIQ en ergens las ik ooit LGBTQIAGNC.

Ik heb voor het woord ‘Homomonument’ nog geen alternatief gehoord of gelezen, maar het zou mij niet verbazen (en geheel niet voor het hoofd stoten) als het voortaan het ‘LGBT+’monument genoemd werd. Het dekt wat meer de lading en het benadrukt wellicht wat meer het internationale karakter van de strijd voor gelijke rechten.

Natuurlijk, het is mens eigen andere mensen in hokjes te willen stoppen. Het gaat me voor deze column te ver om het – overigens uiterst interessante – proces van ordening  (én daarmee het onherroepelijke proces van het aanleren van vooroordelen) in het kinderbrein nader te duiden, maar u kunt gerust van mij aannemen dat het ‘hokjesdenkenproces’ al op zeer jonge leeftijd begint. Vanaf een jaar of twee om precies te zijn.

Misschien is juist daarom het proces van bewustwording nog wel belangrijker dan de naamgeving zelf.

Ik kan me nog een interview van zo’n vijftien jaar geleden herinneren met de Surinaamse journalist en schrijver Anil Ramdas. Hij zei: “Neem het woord allochtoon. Misschien voor autochtone Nederlanders een gemakkelijke term, maar waarom zouden Surinamers op één hoop gegooid willen worden met Marokkanen, Turken en Antillianen?”

Zichtbaarheid moet gepaard gaan met de juiste naamgeving. Naamgeving is de basis voor zingeving. Inderdaad, waarom zou een Surinamer zich moeten herkennen in het woord ‘allochtoon’ en waarom zou een transseksueel zich moeten herkennen in het woord ‘homomonument’?

En daarmee raak ik natuurlijk ook aan de grens van het woord ‘homohuwelijk’.

Juridisch gezien bestaat het ‘homohuwelijk’ niet. Als personen van gelijk geslacht met elkaar mogen trouwen, is dit dankzij de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht. Eveneens is het ‘heterohuwelijk’ geen apart juridisch concept.

Dus wat als ik met iemand wil trouwen die zich niet tot één gender-identiteit wil beperken? Of als ik zoveel van zowel een man als van een vrouw houd dat ik met allebei wel zou willen trouwen? Of met vier transseksuelen tegelijk?

Waarom mogen anderen bepalen hoe en met wie ik wil samenleven? Hoe, met wie en met hoeveel ik wil trouwen?

Wie bepaalt de norm?

Toen ik in 2014 mijn paspoort ging vernieuwen en de dame bij de burgerlijke stand vroeg of ik de naam van mijn huwelijkspartner in het paspoort wilde hebben, zei ik vol trots ja. Ik was immers niet voor niets met hem getrouwd. Nu was mijn man een Fransman. Zijn achternaam is Camus, wat uitgesproken dient te worden als ‘Ka-Múu’.

“Nou,” zei de jongedame achter het loket, “Dat wordt in uw geval dan ‘echtgenoot van mevrouw Kaamoes.'”

Ik glimlachte vriendelijk naar haar.

“Het is Ka-Múu en het is een meneer,” zei ik.

“Oh jee, sorry hoor” zei ze, “En ik ben hier nog wel zo nadrukkelijk voor opgeleid.”

“Ach, de kracht van het leren zit ‘m in de herhaling,” zei ik tegen de rood aangelopen dame.

“En in het proces van bewustwording.”

De dame knikte.

Ik wees naar mijn paspoort.

“En mijn doopnamen zijn Henrica, Wilhelmina, Andrea’.

De dame staarde me nu met open mond aan.

“Één april,” zei ik.

Hieperdepiep voor het LGBTQIAGNC- huwelijk.


ik leun tegen de poort van de schemering,
ik wacht op jou om de nacht binnen te gaan
Om mij heen lacht de jeugd mij bemoedigend toe
Ouderen kijken mij bevreemdend aan: violet speelt zich boven mijn hoofd een haast kinderlijk gevecht af tussen zon en wind
dat slechts door jouw armen kon worden beslecht terwijl ik roerloos tegen de poort blijf staan.

Zij komen niet: de grijze lucht die nu daalt en boven mijn hart hangt, wil niet verdwijnen
Door de slagregens spat tegen het ochtendgloren de modder tegen de planken aan
De jeugd is vertrokken en als het silhouet van de stad de lichten dooft, juicht de kou.
Een oude man schuifelt voorbij en als hij mij ziet heft hij zijn arm als een dirigent
Hij lacht me toe als hij mij toont hoe hij op de poort eenvoudig licht kan laten schijnen

Ik denk aan jou; een stem zo teder als van een vrouw omringt de poort met hemels azuur:
Een doorzichtige wolk voert dwars door mijn schuilend hart, zuigt al wat donker is in zich op
Ik voel hoe op de doorzichtigheid mijn ziel langzaam wegdrijft, heilzaam gedachtespoor kiest
Naar een uithoek van mijn verbeelding waar een vuur voor altijd warmte op mijn zijn belooft
Dan opent de oude man die de liefde heeft herkend enigszins nostalgisch de poort
Waarachter ik mijn verzonnen zon en maan uit de hemel pak en in jouw armen duw

De oude man sluit de poort; in mij juicht de jeugd die het licht nooit meer uit het oog verliest.


Rick van der Made

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.