Het zit in de familie. Daar kunnen we nu eenmaal niks aan doen. 

Mijn oma zaliger – die momenten had dat ze nog roomser dan de paus was – trok haar wenkbrauwen op toen mijn oom Ton – de op een na jongste broer van mijn vader – in negentienhonderdzestig haar vertelde verliefd te zijn geworden op een knappe, jonge Française van Italiaanse komaf. 

“Gij mot nie trouwen, Toontje,” had ze tegen haar op één na jongste kind gezegd.

Hoogstwaarschijnlijk kon mijn oma niet benoemen wat er precies met haar zoon aan de hand was, maar ze had wel degelijk aangevoeld dat haar Toontje ‘anders’ was.

Toontje trouwde toch met zijn mooie Française. Hij vertrok naar Frankrijk, ging in de buurt van Lyon wonen en kreeg twee mooie dochters.

Ergens midden jaren zeventig kwam oom Ton uit de Franse kast. Hij scheidde van mijn Frans-Italiaanse tante, gaf zijn twee dochters een dikke zoen en zijn dik betaalde baan op en begon met zijn vriend Daniel een homokroeg in het centrum van Lyon.

De ‘Amsterdam Bar’ in de Rue d’Amboise werd al snel een begrip. De bar bevond zich midden in de hoerenbuurt van Lyon en de dames van lichte zeden kwamen er na het werk graag een borrel halen. Als ze een heel goede dag achter de rug hadden, knalden de champagnekurken met enige regelmaat tegen het plafond want geld uitgeven, dat konden deze dames als geen ander.

Zo moest mijn oom op de trieste dag dat een van de dames ’s morgens vroeg vermoord in haar appartement werd gevonden, om elf uur ’s ochtends de boel alweer sluiten: de dames hadden het voor elkaar gekregen om in drie uur tijd de gehele drankvoorraad van het café naar binnen te gieten. Er was in heel het café geen druppel alcohol meer te vinden.

Aangezien mijn ooms ook een kleine kaart hadden, ontbeten, lunchten of dineerden de dames ook in de Amsterdam Bar. Ze kwamen altijd alleen of met de andere meiden maar nooit met hun klanten of pooiers. De dames zochten even wat rust en vertier voor zichzelf. Waar konden ze die beter krijgen dan tussen de homo’s van de stad? Tussen hun vrienden die regelmatig in goedkope strassjurken en met veel te veel make-up op Edith Piaf, Dalida of Mireille Mathieu nadeden en die volgens de échte dames van plezier er altijd uitzagen als mislukte snollen die regelrecht uit de goot kwamen.

Toen Daniel en Ton midden jaren tachtig naar Amsterdam verhuisden, kregen we al snel meer contact. Ik was zelf inmiddels ook uit de Brabantse kast gekomen, ongeveer twee jaar nadat mijn broer dat als eerste had gedaan en twee jaar voordat mijn zusje dat ook deed. In katholiek Brabant was het voor mijn vader – een bakkerszoon uit Made – en voor mijn moeder – een uitgetreden non uit Breda – een geruststellend idee een homoseksuele broer en schoonbroer te hebben die de drie homoseksuele kinderen van het gezin (mijn oudste zus vormt in haar eentje de hetero-minderheid) een beetje op weg kon helpen. Ik kreeg met mijn ooms Ton en Daniel een sterke band.

Na het veel te vroege overlijden van Daniel in negentienachtennegentig, werd de band tussen mijn oom en mij nog sterker.

Als u dit leest, bevind ik mij met mijn oom Ton in de buurt van Lyon. Ik ben nu vijftig, mijn oom is inmiddels bijna tachtig.

Als we Tons dochters en hun families opzoeken, kuieren we graag door de mooie binnenstad van Lyon. Als we in de buurt van de plek komen waar vroeger de bar zat, komen we vrijwel altijd Corine tegen.

Zo ook deze keer.

Corine was destijds niet alleen een van de bestbetaalde prostituees van de wijk, ze was ook een van de beste vriendinnen van mijn oom. Corine is nu achtenzeventig. We begroetten elkaar allemaal hartelijk. Ton en Corine omhelsden elkaar even innig.

‘Ik werk niet meer hoor,’ zei Corine tegen mij, ‘Ik ben met pensioen.’ Ik deed net of ik de knipoog die ze mijn oom gaf niet zag.

‘Ach, lieve Corine,’ zei mijn oom tegen haar nadat ze naast elkaar op het bankje op het Place des Célestins waren gaan zitten. ‘Wat zie je er goed uit meid. Na al die jaren zou je toch echt niet zeggen dat je al dat geld op je rug verdiend hebt.’

‘Ach, mon cher Tonny,’ zei Corine tegen mijn oom. ‘Toen je aan kwam lopen zag ik meteen dat jij het was, want vroeger zei ik al tegen alle meiden: “Je kunt aan Tonny echt niet zien dat ie homo is. Behalve als ie loopt…”‘

De twee oude vriendinnen hadden elkaar weer even gevonden, daar op het bankje voor het theater op het Place des Célestins in Lyon.

Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat mijn oom en ik deze week – in de buurt van Lyon – vernamen dat de nieuwste generatie ‘gij-mot-nie-trouwe-uit-de-kast-komers” zich in mijn familie reeds gemeld heeft.

Het zit in de familie.

Daar kunnen we nu eenmaal niks aan doen.


De Franse godin
brengt me naar
het hart van de leeuw

Zij lijkt te zoeken
Maar kent de weg

Regendruppels vallen aan
en druipen af

Ik denk aan
García Lorca

aan zijn wagen
van zwart water

Ik denk hem
te begrijpen

In haar binnenste gezeten
word ik veilig vervoerd naar

Confluence
Van Rhône
En Saône

Ik stap uit –

Van mijn uitgestoken hand
danst en duikt een regendruppel
het zwarte water in dat ver beneden me
glinstert

Het hart van de leeuw assembleert
dansende druppels tot
een godin van zwart water

Ze gaat noordwaarts
Ze zoekt je

Ze zal je veilig ontvoeren

Op een golf van geluk
Zal ze je vervoeren

Naar Frans leeuwenhart,

Naar mij die wacht –

Daar,

Waar schuimkoppen
Van Rhône en Saône
Ritme van confluentie slaan


Rick van der Made (Breda, 1968) is dichter en columnist. Hij studeerde Frans, Engels en Pedagogiek. De dichtbundels ‘Wereldreiziger’, ‘Memoires van Huisman’ en ‘Het jaar van de arend’ zijn van zijn hand.

Rick van der Made

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.