STIJN | Feuilleton #20

STIJN

“Nou, voor de draad ermee”, zei Laurens, nadat hij een tijdje naar Stijn had zitten kijken. Stijn ontwaakte uit zijn overpeinzing, waarin hij vanuit de schaduw vanaf het terras van het huis van Toms ouders, zonder echt iets te zien, naar een punt in de verte had zitten staren. “Waarmee?”, vroeg Stijn wat duffig, en draaide zijn hoofd schuin vragend naar Laurens toe. “Ik ken je nu een hele tijd jongen, en ik mag je graag; in het begin liet je je niet zo makkelijk lezen, maar ik zag dat mijn zoon direct stapelgek op je was. Al snel was je deel van ons gezin, zelfs van de hele familie, als ik mijn zuster An meetel!” Hij lachte maar keek ook meteen weer wat serieuzer. “Ik weet dat ik doorgaans de indruk wek van een goedlachse bourgondiër – en dat ben ik ook heus wel – maar je kunt ook best goed met me praten als je dat wilt. Als specialist probeer ik mensen ook altijd te lezen om te begrijpen wat de context van hun klachten is. En volgens mij zit iets jou dwars.” Stijn was blij dat het hoogzomer en bloedheet was, want anders had zijn oplopende rode kleur het antwoord meteen gegeven.

Hij blies zijn wangen op en keek naar het vriendelijke gezicht van Laurens, die hem geduldig en met name erg hartelijk aankeek. Zo’n vraag zou hij van zijn eigen vader nou werkelijk nooit krijgen, bedacht hij zich, terwijl hij uitblies. Zijn vader was altijd welwillend genoeg en vooral handig met zijn handen, maar nou niet bepaald met woorden. Zijn moeder daarentegen vulde vanuit haar bemoederende houding de complete ruimte met tekst en actie. Met een lichte steek in zijn hoofd bedacht hij zich dat hij ze al veel te lang niet had gesproken of gezien. Alsof Toms vader zijn gedachten kon raden vroeg deze: “Is het voor jou vanuit huis makkelijk om over je gevoel te praten? Ik ken je ouders alleen van wat korte ontmoetingen natuurlijk, maar met name je moeder lijkt me doortastend genoeg…” Stijn kneep nu zijn ogen tot spleetjes en zijn mond wat meer in een streep, en antwoordde langzaam en bedachtzaam: “Zo zou je dat ook kunnen omschrijven ja… Mijn moeder is een schat en heeft de beste bedoelingen – ruimdenkend is ze ook – en ze heeft me altijd gesteund in wat ik wilde doen. Ze is alleen ook nogal overbezorgd en ik ben natuurlijk haar enige kind. Ik was altijd nogal op mezelf… Om je vraag te beantwoorden: nee.” Hij ging wat meer rechtop zitten en nam een slok van zijn inmiddels wat lauwe bier. “En ja, er zit me iets dwars, dat heb je goed aangevoeld. Ik zit er enorm mee in mijn maag en ik heb het er met Tom nog niet over gehad.” “Niks vertellen waar je niet klaar voor bent, maar ik wilde je graag laten merken dat ik je graag mag, Stijn, en dat je bij me terecht kunt als er iets is.”

Die woorden waren precies genoeg om Stijn met een startsnik te laten vertellen wat hem met Bruno was overkomen: hoe hij in het congreshotel op de Veluwe ineens met hem geconfronteerd was en hoe ze op zijn kamer gezoend hadden en hoe hij dat ook zelf weer had afgebroken. Hoe hij daar van overstuur was geweest en had besloten het als niet gebeurd te beschouwen omdat hem leek dat je er niets goeds van kon maken. Maar dat het hem geen seconde meer had losgelaten en dat hij bovendien was overstelpt met app-berichten van Bruno om zijn excuses aan te bieden en of Stijn als-alsje-alsjeblíéft kon reageren. Maar Stijn had hem geblokkeerd, zich op zijn drukke werkweek gestort en (naar zijn idee) Tom niet de indruk gegeven dat er iets aan de hand was. Zijn onrust en hoofdpijn had hij openlijk toegeschreven aan de hitte en de drukte op zijn werk. Laurens zat hem na dit hele verhaal aan te kijken en zei vervolgens rustig: “Lieve Stijn, dit overkomt de meeste mensen wel een keer. Luister, ik kan het niet tot zo’n mooie monoloog maken als in “Call Me by Your Name” (Stijn keek door zijn verdriet heen verbaasd naar de andere kant van de tafel), maar dit is het leven. Denk je dat ik nooit iets soortgelijks heb meegemaakt? Ik ben voor mijn studie en werk misschien wel mer dan honderd keer op reis geweest – maar het kan trouwens ook dichterbij gebeuren – en je wordt als mens weleens overvallen door rare situaties. Er zijn veel deskundigen die zeggen dat je een slippertje nooit aan je partner moet vertellen, maar ik behoor niet tot die school. De paar keer dat ik in meer of mindere mate iets heb gedaan of laten gebeuren heb ik gewoon aan Els verteld. Dat leverde natúúrlijk gedonder op maar uiteindelijk juist ook vertrouwen. Ik kan me niet voorstellen dat mijn zoon daar heel anders over denkt.”

Een paar uur later zat Stijn naast Tom tegen het taludje aan waar ze aan het begin van hun relatie naar de sterren hadden liggen kijken. Hij had zijn vriend net verteld wat er gebeurd was en dat hij zich verschrikkelijk voelde en dat hij er helemaal niet blij mee was en met een verschrikkelijk schuldgevoel zat en Bruno had geblokkeerd (in het echt en online, dacht hij er zuur achteraan). “Je moet het wel met hem uitpraten”, was het eerste wat Tom na enkele minuten van, voor Stijn martelende, spanning zei. “Hè, maar ben je niet gewoon woest…?!?’, riep Stijn met overslaande stem dramatisch uit. Tom keek hem nog steeds niet aan maar juist geconcentreerd rechtvooruit. “Toen Duco overleed heb ik precies op deze plek dagenlang zitten treuren en huilen. Ontroostbaar was ik. Op een gegeven moment kwam mijn vader naar me toe en die ging precies daar zitten waar jij nu zit. (Stijn schoof gelijk wat ongemakkelijk van zijn ene bil op de andere) Hij wist me na een lang gesprek uit te leggen dat ik boos was dat Duco was overleden en dat ik me in de steek gelaten voelde. En hij zei dat je moet ‘blijven houden van’, ook al gebeurt er iets wat je niet begrijpt of waar je niet blij mee bent. (Stijn dacht onmiddellijk aan wat Laurens hem over zijn eigen ervaringen had verteld) Anders maak je iets stuk wat je eigenlijk juist heel dierbaar is. Hij vroeg of ik een andere hond wilde, maar dat heb ik toen in grote verontwaardiging geweigerd. Later snapte ik pas wat hij bedoelde en ik heb er nu nog spijt van dat ik niet op zijn aanbod ben ingegaan.”

Stijn verlegde zijn blik van gericht op de verte naar zijn vriend naast hem, en waar het vandaan kwam wist hij niet, maar hij zei: “Dus nu wil je me inruilen voor een andere hond?” Tom begon ineens te schokken met zijn schouders en tot Stijns geluk zag hij dat het van het lachen was. “Nou, daar zeg je wat!”, riep Tom, die zich nu naar Stijn draaide, diens blauwe bandana (die hij Stijn zelf had omgeknoopt omdat hij het zo stoer vond staan) van zijn hoofd voor zijn ogen trok, hem achterover duwde en met een handige zwaaibeweging schuin bovenop/tegen hem aan kwam zitten. “Je hebt me inderdaad behandeld als een hond, hoewel ik voor Duco heel wat aardiger was; ik was hóndstrouw! Wat heb je nog meer op te biechten, jij slettende smiecht…!” Gelukkig hoorde Stijn dat Tom het niet meende en hij voelde het ook, want niet alleen begon Tom hem woest en plagend te kietelen, ook voelde hij Toms erectie hard tegen zich aanduwen. Is dit nou goedmaakseks, bedacht hij zich twintig hete minuten later. En voor hij het wist had hij het hardop gezegd, waarop Tom hem geamuseerd aankeek en zei: “Nee domoor, dit was nou ‘op z’n hondjes’ “. “Ja, duhhhh”, reageerde Stijn vrijmoedig. En toen hij achter de weggeholde Tom aanrende hoorde hij ineens over de landerijen “Wraakseks!” roepen.

Eenmaal weer in de Dorpsstraat aangekomen zagen ze de auto van Toms zus Marije staan. Tom hield acuut zijn pas in, hield Stijn tegen met zijn arm en sprak ernstig: “Dan kunnen wij niet naar huis.” Stijn keek verbouwereerd opzij. “Nee, zo dadelijk ben je stiekem toch bi en leg je het aan met mijn zus!”, schaterde hij, trok de bandana weer over Stijns ogen en rende joelend weg. Wat ze op een opgetrokken wenkbrauw kwam te staan van Laurens, die met een flauwe glimlach van Stijn naar Tom keek. Toen ze het terras helemaal waren opgelopen snapten ze die blik iets beter, want daar zat Dieck, naast Marije. Dieck, haar ex die tijdens een weekendje Sint Truiden een paniekaanval had gekregen en haar verward en in verdriet had achtergelaten. Ze gaven hem allebei een hand en Els en Marije een knuffel en een zoen, waarna Tom naast zijn zus ging zitten en Stijn achter Laurens aan het (heerlijk koele) huis in liep. Eenmaal in de keuken wipte Stijn uitgeput op de rand van de eettafel, terwijl Laurens vanuit de koelkast wat hapjes voor buiten bij de borrel bij elkaar zocht. Maar opeens hield hij daarmee op, alsof hij zijn voorgaande gedachten even had laten varen, draaide zich om en stak met zijn wenkbrauwen omhoog vragend zijn duim naar Stijn op. Stijn bevestigde ook met zijn duim omhoog. Laurens knikte blij en goedkeurend, maar zei verder niks. Na enige tijd vroeg Stijn aan hem: “Heb je je wijsheid ook al op die twee losgelaten?”, waarbij hij vaag knikte in de richting van het terras. “Neeeee”, zei Laurens zacht maar gedecideerd, “Je moet als mens, en zéker als vader of schoonvader, weten wanneer je wél en níét iets moet zeggen.” Hij draaide zich soepel en theatraal om en gaf Stijn een grote knipoog.

Door: Christian Curré
Illustraties: Wilbert van de Steen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.