De vrijheid om lief te hebben

Huijer, Marli (c) Mohammad Abdulazez (Azouz)

Marli Huijer is filosoof, voorheen arts, en is wat je noemt ‘publieksfilosoof’. Ze is hoogleraar en was enige tijd ‘Denker des Vaderlands’. Ze bracht onlangs een prikkelend betoog uit: “Beminnen, nieuw licht op seksuele vrijheid”. Aan de hand van het werk van de filosoof Foucault schrijft zij wat seksuele vrijheid nu inhoudt. Centraal staat de analyse van Foucault uit “De geschiedenis van de seksualiteit”. Zij laat zien dat westerlingen zich keer op keer bekennen tot een bepaalde seksuele identiteit, met als risico dat je hierin wordt opgesloten en er geen ruimte is om anders te zijn. Dit is de keerzijde van seksuele vrijheid.

 Door: Joshua Zandberg

Je hebt een boek geschreven, hoe kwam je op het idee/waar kwam je inspiratie vandaan?

In 1996 ben ik gepromoveerd ben op het late werk van Foucault, dat gaat over hoe je je leven tot een kunstwerk kunt maken. Ik heb mijn promotieonderzoek geschreven toen er nog geen combinatietherapie voor aids beschikbaar was. Ik heb toen een aantal mensen geïnterviewd die alle behandeling voor aids weigerden omdat ze wisten: het geeft weliswaar uitstel maar ook heel veel bijwerkingen. Ze vroegen zich af of ze dat wel wilden, of het paste bij het leven dat ze leidden. Foucault probeert te laten zien dat je op allerlei manieren, door kennis en machtspraktijken, gedwongen wordt op een bepaalde manier te leven. In dit geval ging het over: welke identiteit, gedragsregels en verwachtingspatronen krijg je opgelegd op het moment dat je de diagnose aids krijgt? Hoe daar op een afstand naar te kijken en vooral te bedenken: hoe wil ik zelf mijn leven vormgeven? Er gaat een lange geschiedenis aan dit essay vooraf waarin ik steeds weer elementen uit het werk van Foucault neem die ik gebruik om na te denken over de situatie waarin wij nu leven.

Wat mij bezighoudt is hoe we in Nederland de rechten van vrouwen en homo’s tot een soort kernwaarde zijn gaan maken waarmee wij de wereld intrekken. We creëren op die manier een nieuwe, overkoepelende identiteit: de westerse tegenover de niet-westerse. De eerste zien we als seksueel vrij, de laatste als seksueel onvrij. Van daaruit zetten we onszelf als de betere mensen neer, als de betere cultuur.

Het leven in Nederland staat bol van allerlei identiteiten wat betreft seksualiteit, gender, relationele status, politiek, religie, enzovoorts. Je pleit ervoor terughoudend te zijn met  het je bekennen tot een identiteit en liever vanuit openheid en nieuwsgierigheid lief te hebben. Hoe doe je dat in het leven van alledag?

We vinden het inderdaad heel gewoon om elkaar voortdurend te vragen om je op een bepaalde manier, volgens een bepaalde identiteit bekend te maken. Hoe doe je dat niet? In de eerste plaats, het begrip homoseksualiteit bestaat pas sinds de 19e eeuw. Het wordt dan een categorie, iets wat samenvalt met een persoon. Ook het begrip seksualiteit bestaat alleen maar omdat wij besluiten: wij gaan deze lichamelijke handelingen seks noemen. Een glas water drinken valt daar niet onder. Als mensen vragen wat je op seksueel gebied bent zou je ook kunnen zeggen: “ik ben een seksueel wezen”. Cultuur- en communicatiewetenschapper Kathouar Darmoni, die van oorsprong Tunesisch is, gaf onlangs in een debat vanuit haar cultuur een heel ander perspectief op seksualiteit. Waar zij opgegroeide worden termen als homo of hetero niet gebruikt. Ouders houden hun dochters heel lang binnenshuis. Wat doen die dochters dan? Die vrijen met hun vriendinnen zolang als er geen man beschikbaar is. Daar vindt dan een overgang plaats naar het vrijen met een man. Als de mannen bij wijze van spreken naar het front gaan dan zijn ze weer seksueel met mensen van hetzelfde geslacht. Daar zit volgens Darmoni in Tunesië geen duidelijk taboe op. Het wordt ook niet besproken. Dan zeggen wij Nederlanders meteen: als je er niet open over kunt praten dan ben je onvrij. Want er rust in Nederland een groot taboe op geheimen. Geheimen, dat mag niet! Je moet transparant zijn. Dat betekent, ten eerste, dat je moet weten wat je bent, ook al weet je dat misschien helemaal niet. Ten tweede moet je daar nog openlijk voor uitkomen en het aan anderen vertellen.

“Je wordt voortdurend gedwongen om je op een bepaalde manier, volgens een bepaalde identiteit, bekend te maken.”

Stel je eens voor dat ik dat zeg: “ik ben een seksueel wezen”. Tegen iemand die hetero of homo is en graag wil weten waar diegene precies aan toe is. Dan is mijn kans op een leuke avond, wilde nacht of misschien zelfs een relatie in de kiem gesmoord, toch?

 Ik hoop dat jonge mensen geïnspireerd raken door wat dit boek hen doet. Dat ze zo weerbaar worden dat ze kunnen zeggen: “Luister, ik snap dat je wilt weten wat ik ben, maar door me een label op te plakken ontneem je me de vrijheid om te onderzoeken wat we fijn vinden, wat plezier geeft.” Stel dat een jongere het gewoon niet weet. Dan zou je toch hopen dat de omgeving hem of haar de vrijheid gunt om het gewoon uit te proberen. Als je dan seks met iemand hebt en het blijkt niet leuk te zijn, weet je ook niet of dat aan de persoon of aan het geslacht ligt. Wij denken meteen: het ligt aan het geslacht. Terwijl het ook heel goed aan de persoon kan liggen. Je zou toch in een land als Nederland, dat zich voorstaat op hoe seksueel vrij we zijn, mogen verwachten dat jonge mensen de ruimte krijgen om dat rustig uit te zoeken. Alsof het bestaat, alsof je in je jonge ziel meteen al weet: dit ben ik. Daar ga ik de rest van mijn leven aan vasthouden. Dat gebeurt steeds meer in Nederland, dat van jonge mensen wordt verwacht dat ze zelf weten wie ze zijn en wat ze willen. Zij moeten zelf bepalen wie zij zijn. Er wordt nu bijvoorbeeld tegen jonge vrouwen gezegd: je moet goed bedenken wat je wel of niet wilt in de seks. Zet je piketpaaltjes neer. Dan denk ik: ja, maar seks is iets wat je met elkaar doet. Je weet van tevoren niet waar je grens ligt. Je moet het met elkaar uitzoeken en uitproberen. Dat kan heerlijk zijn, maar soms ook pijnlijk of akelig. Seks is niet altijd leuk, het kan over je grenzen heengaan. Maar meestal is het een mooi avontuur. Ik hoop met dit boekje te bewerkstelligen dat mensen zich realiseren dat ze zich kunnen vastzetten in een identiteit – en ook dat anderen dit doen. Daarmee lever je behoorlijk in op je vrijheid.

“Ik vraag haar of iedere vrouw lesbisch zou kunnen zijn. Zij antwoordde: “Je hoeft helemaal niks te zijn.”

Is dat ijdele hoop, zie je dat het juist vooruit of achteruit gaat? Hoe zie jij de maatschappelijke ontwikkelingen op dit vlak?

Ik vertel in mijn boek over een ’potten- en flikkerfestival’ dat in 1979 in de tuin van de De Balie (ontmoetingscentrum in Amsterdam, JZ) een ‘potten- en flikkerfestival’ plaatsvond. Ik kwam daar met Fabiola in gesprek, die toen als levend kunstwerk door Amsterdam liep. Ik vroeg hem of iedere vrouw lesbisch zou kunnen zijn. Hij antwoordde: “Waarom zou je iets moeten zijn? Het is de kunst níet iets te zijn.” Ik heb soms het idee dat de sfeer van de jaren ’60 en ‘70 van de vorige eeuw – waarin vrouwen en homo’s zelf in beweging kwamen en meer vrijheid wilden – een totaal ander klimaat gaf dan dat we nu hebben. Waarbij mensen niet langer zelf zeggen: “Ik wil meer vrijheid! “ Maar waar overheden, politieke partijen, universiteiten over deze mensen zeggen “wij gaan zorgen dat deze mensen meer vrijheid hebben”. Het gaat nooit over henzelf. Altijd over anderen. Je ziet dus dat je bepaalde kapstokken nodig hebt om discriminatie of geweld aan te kaarten. Of je je daarin tot op de komma moet ‘outen’ is maar de vraag. In de jaren ‘70 van de vorige eeuw waren er in Amsterdam bijvoorbeeld zogenaamde ‘heksennachten’, waar vrouwen met elkaar de straat op gingen met fakkels en een enorme boosheid uitstraalden tegen seksueel geweld/niet veilig over straat kunnen. Om mee te doen hoefde je niet te bekennen dat je aangerand of verkracht was. En ook als ik denk aan de festivals die er toen waren, het was helemaal niet zo van: “Ben jij hetero of homo?” Het was veel meer een zoeken naar hoe het seksuele op nieuwe, vrijere manieren kon worden vormgegeven. Vandaag de dag is het meer een zoeken naar bevrijding en veel minder een positief zoeken naar hoe je in vrijheid kunt beminnen. Wanneer de kapstok waaromheen je je organiseert een identiteit wordt op grond waarvan een overheid gaat zeggen: we gaan ‘onze’ homo’s en ‘onze’ vrouwen beschermen dan is het de vraag of dat nog zoveel met vrijheid te maken heeft.

“Er rust in Nederland geen groter taboe dan op geheimen. Geheimen, dat mag niet!

Ik wil toch even tegengas geven. Ik ken mannen die in de jaren ‘60 en ‘70 meededen in de homo-emancipatiebeweging. Toen ze echter seks gingen hebben met vrouwen waren ze ineens niet meer zo welkom…

Ja, Foucault zal met zijn vier delen van de Geschiedenis van de seksualiteit, die hij in de jaren zeventig en begin jaren tachtig schreef, zeker ook reageren op de neiging in die tijd om zich rondom identiteiten te organiseren. Hij spreekt zelf over homoseksuele praktijken maar hij zegt niet: “Ik ben homo.” Hij is in die tijd al zeer kritisch op dat zo benoemen en ook op het zich organiseren op grond van de homoseksuele identiteit. Hij roept zelf op om alle identiteiten die ons eeuwenlang zijn opgelegd, te weigeren. Ik ben daar minder stellig in. Omdat ik de bewegingen van de jaren ‘70 ook als enorm solidaire bewegingen heb ervaren. Niet alleen de vrouwen- of homostrijd maar ook de anti-kernenergie beweging met allerlei vormen van overlap. Waarin er een vorm van gezamenlijkheid en solidariteit was.

Ik zou zeggen: toch vooral solidariteit in eigen kring…

 Ik zou zeggen dat de basis voor het identiteitsdenken inderdaad daar is gelegd, absoluut. Dat werkte in eerste instantie bevrijdend maar uiteindelijk loop je dus keihard tegen de keerzijde ervan aan.

Vertel me eens hoe de gay- en hetero-wereld bij elkaar te krijgen zijn?

Wij doen in Nederland alsof homoseksualiteit gewoon is. Maar het onderscheid tussen homo- en heteroseksualiteit is ook nu nog gebaseerd op het idee dat seks met hetzelfde geslacht ongewoon is en met het andere gewoon. Daarom moet je als homo uit de kast komen en als hetero niet. Ik erger me als bij Zomergasten aan Claudia de Breij wordt gevraagd hoe haar ouders reageerden op haar seksuele voorkeur. Het is een voortdurend benadrukken dat seks met iemand van hetzelfde geslacht ongewoon is en uitleg vereist. Het ergert me ook als ik van leraren op de middelbare school hoor dat jongeren door de klas ertoe worden gebracht uit te komen voor de homoseksuele identiteit. Dat wordt dan een feestje. Fundamenteel zit daar iets scheef. Dat seksuele handelingen in tweeën gespleten worden. Voortdurend is er een cultureel verhaal waarbij de een ervoor moet uitkomen en de ander niet. Ik zou voorstellen dat vanaf het eerste jaar van de middelbare school niet alleen gesproken wordt over seks tussen mannen en vrouwen maar dat het inclusiever wordt. Daar hoef je niet eens iets voor te zijn. Dat betekent dat er echt een denkomslag gemaakt moet worden…

“Ik erger me als bij Zomergasten aan Claudia de Breij wordt gevraagd hoe haar ouders reageerden op haar seksuele voorkeur.”

Mijn dochter vertelde me laatst dat haar vrienden het bijzonder vinden dat zij is opgevoed met het idee: als je later met een man of vrouw samenleeft. Voor ons was het niet bijzonder, maar vanzelfsprekend. Het betekent dat je voortdurend de pluraliteit aan seksuele mogelijkheden laat zien,  bijvoorbeeld bij Sesamstraat. Dat is een cultuuromslag. Ook voor ouders in de opvoeding. Je kunt je kinderen aanreiken dat er meer is dan: je doet het met een mannetje of een vrouwtje. Als docenten kun je veel meer opties aanreiken. Zodat je niet meer komt op het punt van de bekentenissen.

De bekentenis zit diep in onze cultuur, het is een oud christelijk instrument om mensen tot gehoorzaamheid te brengen. De bekentenis, de biecht, de boetedoening is overgenomen in de 18e eeuw door medische, onderwijskundige instituties. En nog altijd zit in de bekentenis een vorm van gehoorzaamheid. Die gehoorzaamheid is dat je gehoorzaamt aan de normen en waarden van de samenleving. Dit zit heel diep in onze cultuur, de christelijke en daarom hebben we – zo vermoed ik – moeite met de islamitische waar veel minder die vorm van bekentenis en de erbij passende gehoorzaamheid aanwezig zijn en waar we dan – pats – op losgaan.

Je boek levert vragen bij mij en vast ook bij anderen op. Als: hoe ga ik dat doen in mijn leven? Die vragen zijn vast ook de kracht van je boek maar het is wel lastig…

Je kunt beginnen door de ander en jezelf als een seksueel wezen te definiëren. Wij hebben de gave meegekregen om te kunnen vrijen met de ander. Zonder ziektes of voortplanting. Je houdt de mogelijkheid open dat de ander alles kan zijn, waarom zou de ander of jezelf het dan anders moeten doen?

Even wat anders. Ken je het onderscheid tussen een top of een bottom?

Je bedoelt dat je de actieve of passieve persoon bent? Dat zit in zoveel culturen. Zoals in de seks tussen Griekse mannen van de vierde eeuw voor onze jaartelling, waarover Foucault schrijft. Hij vindt dat vreselijk want dat onderscheid tussen actief en passief houdt in dat het geen wederzijdse relatie is. Ongelijkwaardig. Je ziet hetzelfde in middeleeuwse islamitische culturen waarin de man die zich laat nemen door een andere man, de mindere is. Want dan ben je als een vrouw en onderworpen. Het is natuurlijk een illusie dat vrouwen in de seks onderworpen zijn. Ik denk dat we ook van dat idee af moeten dat je jezelf definieert als een ofwel actief ofwel passief persoon. Terwijl niets lekkerder is dan van rol te kunnen wisselen. Dan zou ik zeggen: de hedendaagse vrouw is mans genoeg om actief te zijn. Kaouthar Darmoni, over wie ik het eerder had, vertelde dat in haar cultuur mannen vaak bang zijn voor de actieve seksuele begeerte van vrouwen. Dat vrouwen erom bekend staan dat ze de man zo’n beetje inpakken. Ik zou zeggen dat je altijd het vermogen in je hebt om de ene keer passief en de andere keer actief te zijn. Ook dat is een vorm van vrijheid. Laat je alsjeblieft niet in één rol duwen.

Ik word er een beetje teneergeslagen van als ik je zo hoor. Ik zie niet zomaar voor me dat je ideeën gemeengoed worden. De seks met de daarbij horende moraal  is zo machtig…

Kijk, de filosoof is natuurlijk altijd degene die de gebroken spiegel aan de ander voorhoudt. Of dat succesvol is of niet…tja. Dat zou betekenen dat ik macht nastreef of politiek leider wil zijn die zoveel mogelijk zieltjes wil winnen. Nee, je bent eigenlijk de hofnar van de samenleving. Degene die provoceert en prikkelt om datgene wat in de maatschappij afwezig is aanwezig te maken en aan te spreken. Ik ben niet de revolutionair maar degene die mensen aan het denken zet. Wat zij daar vervolgens mee doen is aan hen…

Meer lezen? Koop het boek hier.

Foto:  Mohammad Abdulazez (Azouz)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.