Nederland is tolerant als je maar niet zichtbaar anders bent 

Analyse SCP-rapportage op IDAHOBIT 2018

Vandaag, op IDAHOBIT (The International Day Against Homophobia, Biphobia, Intersexphobia and Transphobia) is het nieuwe rapport verschenen van het Sociaal en Cultuur Planbureau (SCP) over ‘Opvattingen over seksuele en genderdiversiteit in Nederland en Europa’. Directeur Kim Putters, waarmee de Gaykrant op korte termijn een uitgebreid interview zal hebben, stelt in de inleiding dat hij graag ‘een feitelijke achtergrond/bijdrage’ wil bieden aan de geluiden – zeker binnen de LHBT+ – wereld – dat het niet goed zou gaan met de tolerantie in ons land. Laten we even dieper in het geleverde materiaal duiken.

Door: Christian Curré

Sinds 2006 wordt de Nederlandse bevolking iedere twee jaar ondervraagd over dit onderwerp, zij het in steeds uitgebreidere vorm omdat de kennis en cijfers over dit onderwerp natuurlijk cumulatief van aard zijn: “Sinds 2012 brengt het SCP de opvattingen over transgenderpersonen en genderdiversiteit in kaart. Ook de politieke, beleidsmatige en maatschappelijke aandacht voor transgender personen en genderdiversiteit is de laatste jaren toegenomen. Omdat we minder gegevens hebben over deze opvattingen, kunnen we minder uitgebreide analyses doen over de trends en ontwikkelingen. Ook bestaan er geen betrouwbare, internationaal vergelijkbare data.”

In 2016 werd nog gerapporteerd, volgend op de algemene positieve tendens dat het met tolerantie als geheel positiever lijkt te gaan, dat “de positieve boodschap beperkingen had als het gaat om zichtbare intimiteit in de openbare ruimte en de opvattingen onder religieuze mensen, stemmers op christelijke partijen en Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond. Over die thema’s en binnen die groepen was men minder positief”. De vraag is nu of ‘de opvattingen over homo- en biseksualiteit, ook wel sociale acceptatie genoemd, een achteruitgang laten zien, gesteld tegenover de genoemde waarnemingen binnen de community (vaak gebaseerd op geweldsincidenten en het sentiment dat daaruit voortvloeit) en het gegeven dat we net op de internationale (meer juridische lijst) uit een top-tien zijn weggezakt (ILGA-rapportage).

Wat ik onderzoeksmatig zeker begrijp, maar inhoudelijk ingewikkeld vind voor de uiteindelijke vraag of het goed gaat met de tolerantie of liever zelfs acceptatie van de regenboogcommunity/-communities in ons land, is dat het SCP ervoor heeft gekozen om de bevindingen over LHB (in nauwere zin, niet als parapluterm voor de totale LHBT+-gemeenschap) en transgender uit elkaar te halen, onderbouwd door het methodologisch uitgangspunt/de premisse dat “De opvattingen worden apart besproken omdat verschillende groepen (zoals homoseksuele personen of transgender personen) onderwerp zijn van verschillende maatschappelijke discussies en beleidsdebatten en omdat zij, naast met overlap, ook te maken hebben met verschillende problemen en ontwikkelingen. Het uit elkaar halen van deze opvattingen doet in die zin meer recht aan de verschillende posities van de groepen in de samenleving en in beleid.” Dat kan analytisch zeker een aardig punt zijn, maar onderstreept wat mij betreft nu precies één van de knel- of pijnpunten in de discussie over diversiteit, zichtbaarheid en tolerantie, zowel op beleids- als op maatschappelijk niveau. Namelijk dat het er uiteindelijk om moet gaan dat we voor iedereen die in ons land anders is dan de heteronorm, zich uitgenodigd en begrepen moet weten om als gezamenlijk collectief zichtbaarheid te betrachten – om op aantrekkelijke wijze te kunnen werken aan zichtbaarheid en normalisering.

“Iedereen die in ons land anders is dan de heteronorm moet zich uitgenodigd weten om op positieve manier te werken aan zichtbaarheid.”

Over je leven kunnen leiden zoals je dat wilt, het ‘homohuwelijk’ en het hebben van een LHB-docent voor je kind lijkt ‘de ondergrens in tolerantie’ wel bereikt, zo stelt het SCP. Nu zijn dit ook relatief bekende en veilige onderwerpen, naar mijn mening. Bovendien heb ik zelf wat moeite met het positief interpreteren van ‘het feit dat een ondergrens in tolerantie is bereikt’, maar dat is een welhaast semantische beschouwing. Op andere vlakken is het dan weer minder rooskleurig en laten de gegevens nog geen bereikte ondergrens zien in vergelijkend onderzoeksperspectief: “De ondergrens is nog niet in zicht als het om andere zaken gaat: 21% van de Nederlandse bevolking vindt seks tussen twee mannen walgelijk, 21% heeft minder moeite met hand in hand lopende man-vrouwkoppels dan man-mankoppels, 29% vindt het aanstootgevend als twee mannen elkaar zoenen op straat en 20% is die mening toegedaan als het zoenende stel twee vrouwen betreft, terwijl 11% deze mening is toegedaan als het om een man en een vrouw en een kus op straat gaat. Ook vindt 13% dat gelijke rechten voor hetero’s en homo’s zich niet moeten uitstrekken tot adoptie. Tot slot vindt bijna een op de tien (9%) het onaanvaardbaar als het eigen kind zou gaan samenwonen met iemand van hetzelfde geslacht. ”Deze cijfers spreken toch echt voor zichzelf. Wat zeker zo is, is wat het SCP er achteraan stelt, namelijk dat het gegeven “dat de Nederlandse bevolking negatiever over bovengenoemde zaken denkt, niet betekent dat het overgrote deel van de bevolking ze afkeurt”. Nee, want er staat natuurlijk een deel tegenover dat er minder moeite of zelfs geen moeite mee heeft, maar ik vind de percentages op deze onderwerpen zoals genoemd toch bepaald verontrustend. Kwestie van inzoomen vanuit een belang, zeker – in mijn geval het bespreekbaar maken en tonen en vooral aanspreken en –pakken van intolerantie binnen onze maatschappij.

De algehele tendens is positief als het gaat om LHB’s, is min of meer de conclusie van het SCP. Dat is uiteraard een trent die te bejubelen valt – zeer zeker. Duiken we echter iets dieper in de inhoud, dan moet toch ook de onderzoeker vaststellen dat het lastig is om over juist de groepen waar ‘de pijn zit’ echt op statistiche basis uitspraken te doen bij gebrek aan materiaal en dus duidingsmogelijkheid:

“Met behulp van verschillende analyses zijn we nagegaan welke groepsverschillen we in de meest actuele cijfers vinden in de schaalscores op de samenvattende maat voor de houding ten opzichte van homo- en biseksualiteit. De bevindingen komen overeen met eerdere Nederlandse en internationale bevindingen: relatief positieve opvattingen zijn te vinden onder vrouwen, 60-minners, hogeropgeleiden, niet-religieuzen, mensen met een autochtone of westerse herkomst, inwoners van zeer sterk stedelijke gebieden en Groen-Links-, D66- of PvdA-stemmers. Niet alle verschillen zijn even groot. Groepen die minstens twee keer zo negatief denken als de algemene Nederlandse bevolking (6%) zijn leden van de PKN (16%), leden van overige religies (30%), mensen met een niet-westerse migratieachtergrond (17%) en SP-stemmers (12%). Bij de eerste drie groepen zien we ook weinig mensen met een wel positieve houding (53% PKN, 34% overige religies en 53% niet-westerse migranten in vergelijking met 74% gemiddeld), terwijl bij SP-stemmers het aandeel negatieven ten koste van de neutrale houding gaat: SP-stemmers zijn zowel vaker negatief (13% SP’ers versus 6% gemiddeld) als positief over homo- en biseksualiteit (80% SP’ers versus 74% gemiddeld). De verschillen in opvattingen tussen de algemene bevolking en leden van overige religies en mensen met een migratieachtergrond roepen de vraag op welke groepen hieronder verstaan worden en in welke specifieke subgroepen zich wel of geen problemen voordoen. Helaas is de omvang van de steekproef te klein om dieper op deze groepen in te gaan en verschillen binnen deze groepen in kaart te brengen.”

Specifiek is ook gekeken naar scholieren als doelgroep binnen deze onderzoeksmaterie. Hier vinden we een beetje hetzelfde beeld, namelijk algemene tolerantie toegenomen maar zichtbaarheid een stuk lastiger: “Slechts een kleine groep scholieren (8% basisonderwijs, 7% voortgezet onderwijs) geeft aan dat lesbische en homoseksuele medescholieren niet hun vrienden mogen zijn. De overgrote meerderheid (71% basisonderwijs en 73% voortgezet onderwijs) heeft hier geen probleem mee. Net als bij de Nederlandse bevolking van 18 jaar of ouder zien we dat met elkaar zoenende jongens of meisjes op meer afkeuring stuiten: ongeveer drie op de tien leerlingen vindt het vies als twee jongens met elkaar zoenen (12% van de leerlingen basisonderwijs en 8% van de leerlingen voortgezet onderwijs vindt het vies als het om een jongen en een meisje gaat). Als twee meisjes zoenen, wordt dat vies gevonden door 29% van de leerlingen basisonderwijs en 19% van de leerlingen voortgezet onderwijs.”

“Toch verontrustende percentages op deze onderwerpen, zeker voor het aanspreken en –pakken van intolerantie”

Kijken we naar de transgender-onderzoeksresultaten, dan zien we een wederom een verdeling in de onderwerpen waar de tolerantie ‘een statistische ondergrens laten zien ‘ – oftewel waar we niet verder door het ijs lijken te zakken ofwel de onderwerpen waar we als community ‘redelijk veilig lijken te zijn’ en die betreffen specifiek het volgende: “De mogelijkheid tot operaties wordt door 66% van de Nederlandse bevolking ondersteund, terwijl 13% dit geen goed idee vindt. Over wie deze zorgkosten moet betalen, zijn de meningen wel verdeeld: 29% vindt dat transgender personen deze zelf maar moeten betalen, 35% is het daarmee oneens. Medische transities hoeven bestaande vriendschappen niet in de weg te staan. Slechts een klein percentage van de Nederlandse bevolking zou een vriendschap verbreken met een goede vriend (5%) of vriendin (6%) als deze het lichaam wil laten aanpassen. “

Kijken we naar de pijnpunten, dan zien we het volgende: “45% van de Nederlandse bevolking wil bij een eerste ontmoeting weten of iemand een man of een vrouw is (33% heeft hier geen behoefte aan). Eén op de vijf deelnemers (20%) is van mening dat er iets mis is met mensen die zich geen man of vrouw voelen en 14% gaat liever niet om met mensen van wie niet duidelijk is of ze man of vrouw zijn.” De cis-heteronormativiteit tiert dus nog welig in ons land. Onderzoekstechnisch herhaalt het SCP op dit punt in het rapport, maar nu meer onderbouwd, dat er nog maar een korte onderzoekstraditie is op het vlak van genderdiversiteit (inclusief intersekse-conditie): “In 2017 (deze rapportage, red.) waren er, in vergelijking met 2012/’13, minder mensen die vinden dat er iets mis is met mensen die zich geen man of vrouw voelen en vinden ook minder mensen dat de financiering van operaties om het lichaam aan te passen bij transgender personen zelf zou moeten liggen. Op andere gebieden lijkt er tussen 2014/’15 en 2016/’17 minder veranderd. De volgende editie zal meer meetmomenten bevatten en helderheid verschaffen over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van een opgaande trend richting meer positieve opvattingen overgenderdiversiteit.”

“Eén op de vijf (20%) is van mening dat er iets mis is met mensen die zich geen man of vrouw voelen.”

Wat is van dit alles nu de conclusie, aanvullend op de besproken kanttekeningen van zowel van het SCP als van mijzelf in het voorgaande? Welnu, in de woorden van het SCP is dat het volgende:

“De huidige cijfers over opvattingen over homo- en biseksualiteit en genderdiversiteit laten zien dat het overgrote deel van de Nederlandse bevolking positief staat tegenover het overgrote deel van de onderwerpen en dat dit de laatste jaren alleen maar positiever is geworden. Vanuit het perspectief van opvattingen en meningen gaat de emancipatie van seksuele en genderminderheden er dus op vooruit. Echter, zoals eerder aangegeven, kijkt het SCP, als het gaat om de stand van zaken inzake de LHBTI-emancipatie, naar twee kanten van het verhaal: de leefsituatie van LHBTI-burgers zelf en de publieke opinie over homo- en biseksualiteit en genderdiversiteit. Alhoewel de opvattingen een positief beeld laten zien, weten we uit andere onderzoeken dat de emancipatie er slechter voor staat als we kijken naar de leefsituatie van de doelgroep zelf. Daarover lieten recente onderzoeken zien dat – de positieve bevolkingsopvattingen ten spijt – LHBT-burgers op achterstand stonden in vergelijking met heteroseksuele cisgender burgers: zo leefden transgender personen vaker in armoede, werden LHBT-personen vaker slachtoffer van geweld of pesterijen op het werk en rapporteren LHB-jongeren veel psychische problematiek. Dit onderstreept het belang van een brede blik en genuanceerde uitspraken over de stand van zaken met betrekking tot de emancipatie van LHBTI-burgers.”

In mijn woorden is dat het volgende: uiteraard ben ik blij dat er over de grote lijn maatschappelijk gezien een positieve trend valt te bespeuren en te duiden. Dat is oprecht geweldig goed nieuws. Alleen maak ik zelf als sociaal onderzoeker wel graag een onderscheid tussen kwantitatieve duiding en kwalitatieve duiding, (h)erken ik de beperktheid van het gebruikte onderzoeksmateriaal op belangrijke punten in deze rapportage en zit wat mij betreft qua opdracht ‘het venijn’ in de staart van de conclusie van het SCP zelf. Opvattingen kennen niet alleen een mate van sociaal wenselijk antwoorden, maar ook van een zekere distantie. Emancipatie van minderheidsbevolkingsgroepen binnen een samenleving gaat niet alleen over ‘opvattingen’, maar gaat over hele concrete menselijke verhalen: over de dagelijkse realiteit. Die laat zich niet vangen in ‘een verhoogde attentiewaarde als er incidenten plaatsvinden’, of ‘een algeheel positievere tendens’.

“Er is nog heel veel werk aan de winkel voor bestuurders, beleidsmakers, belangenorganisaties en vooral alle burgers van Nederland.”

Dat is het verschil in positie en discours tussen een in dit geval het SCP en de Gaykrant – als onafhankelijk platform over/van/voor alle LHBT+’ers van Nederland. Het SCP signaleert onderwerpen en scores die mij oprecht veel zorgen baren en die zich 1-op-1 vertalen naar mijn dagelijkse werkelijkheid als redacteur en coach. Pesten, uitsluiting, discriminatie, geweld, angst, depressie, schaamte, verslaving, etc., allemaal gerelateerd aan het ‘anders zijn’ dan de norm in onze samenleving. Dat is de wereld achter de cijfers. Er is nog heel veel werk aan de winkel voor bestuurders, beleidsmakers, belangenorganisaties en vooral alle burgers van Nederland. Het is helaas nog steeds niet gewoon om anders te zijn. En dat is waarom het vandaag IDAHOBIT is. Opdat we dat niet vergeten en het zien als motivatie en inspiratie om te werken aan een inclusieve Nederlandse samenleving, waarin uiteindelijk je sekse/gender/oriëntatie simpelweg ‘is’, in plaats van dat het een issue/onderwerp van gesprek/onderzoeksonderwerp is!

Lees hier het originele rapport. 

Christian Curré
Christian Curré

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.