‘Ik was bang dat niemand vrienden met een homo wilde zijn’

Deze column is een vervolg op ‘Uit de kast‘.

Zodra ik het dorp binnenrijd komt de zon door. De druppels van de bui waar ik zojuist doorheen gereden ben veranderen in miniregenbogen op de voorruit. Het is alweer twee weken geleden, dat hij me een berichtje stuurde. De jongen die ik vroeger hockeytraining gaf.

De dag na het berichtje werd ik gebeld. Niet door de jongen, door zijn moeder. Om te vertellen hoe gelukkig ze voor hem was. Zijn vader belde me een half uur later. Niet wetende dat zijn vrouw al had gebeld. Moeder nodigde mij uit voor het avondeten, “om het te vieren”. Ik vond dat wat overdreven, en zei dat ook.

Ik kom de straat ingereden. De jongen staat al buiten. Hij grijpt me vast. Steviger heeft iemand me in tijden niet vastgehouden, denk ik nog. Ik hoor zijn ademhaling vertragen. Hij zucht en probeert tegelijkertijd iets te zeggen. “Ik ben zo blij dat je er bent.”

We lopen samen richting het huis. De geur van knoflook kietelt mijn neus. Vader en moeder staan te wachten bij de deur. Moeder kust mijn wangen. Vader een ferme handdruk. Zijn zusje komt enigszins verwilderd de trap afgerend. Het licht van de kaarsen op de gedekte tafel vullen de kamer.

“Wat wil je drinken? Wijn?”, vraagt moeder. Voor ik antwoord kan geven schenkt ze een glas in. We toosten op de jongen. Hij moet erom lachen en kijkt me aan. Zijn blik is open en warm, vrij en gelukkig.

“En, hoe is het nu? Is er veel veranderd?”, vraag ik plagerig.

“Helemaal niets. Het voelt zó goed dat ik mezelf kan zijn. Ik heb het mijn beste vrienden zelfs verteld. Die hadden het verwacht.”

“Verwacht?”

“Mijn beste vriendin zei dat ik het nooit over meisjes had. Toen het knapste meisje van onze school verkering vroeg, wilde ik niet. En veel jongensvrienden heb ik ook niet.”

Ook mijn beste vriend wist het eerder dan ikzelf, vertel ik. Je omgeving ziet het vaak als jij nog worstelt. Voordat je uit de kast komt is er vaak de angst mensen teleur te stellen. De jongen knikt. Zo had ik bedacht dat mijn ouders het erg zouden vinden minder kleinkinderen te krijgen.

“Ik was bang dat niemand vrienden met een homo wilde zijn”, zegt de jongen. “En dat mijn teamgenoten niet meer durven te douchen na de wedstrijd.” Hij moet er zelf een beetje om lachen. Als ik vraag waarom, vindt hij die gedachte suf. “Je kan jezelf zo gek maken.”

We drinken koffie toe. Zijn vader maakt homograpjes en heeft nog een cadeautje voor ons. Een roze haarband voor op het hockeyveld. “Dan hoef je het je teamgenoten in ieder geval niet meer uit te leggen.”

Ik kus de familie gedag. We omhelzen elkaar iets langer dan toen ik aankwam. “Kom je binnenkort weer langs?”, vraagt hij net voordat ik de auto instap. “Misschien volgende week, vriend.”

Pepijn schrijft ieder weekend een column voor de Gaykrant. Lees hier zijn column van vorige week: Uit de kast.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *