Promotie-onderzoek ‘Uncomfortable Encounters’ – longread

Dinsdag 27 januari promoveerde Jantine van Lisdonk (master culturele antropologie/promotie sociologie), verbonden aan Rutgers, Expertise Centre on Sexual and Reproductive Health and Rights als researcher sexual and gender diversity) aan de VU op het onderzoek/de dissertatie ‘Uncomfortable encounters. De ervaringen van Nederlandse jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten en de relatie met gender non-conformiteit in een heteronormatieve, tolerante samenleving’. Hieronder een samenvatting in longread.

Door: Christian Curré

Het uitgangspunt van het onderzoek was dat Nederlandse jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten leven in een tolerante, maar ook heteronormatieve samenleving waarin ‘normaal zijn’ hoog in het vaandel staat. Het academische paradigma dat LHB (lesbische, homoseksuele, biseksuele) personen beschouwt als gestigmatiseerde mensen die gevaar lopen, wordt uitgedaagd door een nieuwer paradigma. Hierin staat de geïndividualiseerde emancipatie van jonge mensen centraal, evenals de benadering dat seksualiteit positief en fluïde is.

Desalniettemin, zo stelt de onderzoekster, komen ongemakkelijke ontmoetingen nog op veel manieren voor. Ongemakkelijke ontmoetingen betreffen alle interacties die niet-intentioneel of intentioneel een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten subtiel of expliciet markeren, terwijl dat onnodig is of er niet toe zou moeten doen. Dergelijke interacties dragen de boodschap uit dat een op seksegenoten gerichte seksuele oriëntatie niet ‘natuurlijk’ is, niet verwacht wordt of buiten het normatieve valt. Dat seksuele oriëntatie toch bepaald niet irrelevant is, blijkt volgens Van Lisdonk ook uit studies die laten zien dat Nederlandse jonge LHB personen nog steeds meer negatieve uitkomsten rapporteren in vergelijking met heteroseksuele leeftijdsgenoten op het gebied van psychosociaal welbevinden, levenstevredenheid, slachtofferschap en suïcide.

Jantine van Lisdonk

De algemene verklaring voor deze ongemakkelijke ontmoetingen en de empirische verschillen is dat de Nederlandse samenleving nog steeds op veel subtiele manieren heteronormatief is. Heteroseksualiteit is de meest voorkomende seksuele oriëntatie en wordt impliciet verwacht. Seksualiteit die op seksegenoten is gericht wordt veelal geaccepteerd, zolang het heteronormativiteit niet betwist. Seksualiteit gericht op seksegenoten kan in de mainstream samenleving worden genormaliseerd, maar alleen als uitingen zich conformeren aan wat ‘normaal’ is.

Methodologisch gezien vond Van Lisdonk het van belang om uit te gaan een perspectief dat de veelsoortigheid van gender (bijvoorbeeld genderidentiteit, gender expressie en gender normen) en machtsdynamieken erkent. Methodisch gezien zijn de empirische studies gebaseerd op ‘mixed methods’ onderzoek: kwantitatieve data zijn verzameld door middel van een online vragenlijst (1636 op seksegenoten georiënteerde jongvolwassenen tussen 16 en 25 jaar geworven via uitgebreide convenience sampling; werving via offline en online kanalen onder jongeren in het algemeen en via LHB-specifieke kanalen), na de vragenlijst hebben 38 jongvolwassenen van deze deelnemersgroep deelgenomen aan een persoonlijk diepte-interview (genestelde steekproef, gestreefd is naar maximale variatie ten aanzien van gender, leeftijd, woonplaats en zelfidentificatie (interviews met 19 jonge vrouwen en 19 jonge mannen).

Alle geïnterviewden hebben ooit een homo of lesbische publieke gelegenheid bezocht, maar deze ervaringen waren niet allemaal positief en bevrijdend. Velen ondervonden uitdagingen die te maken hadden met impliciete normen en verwachtingen met betrekking tot het uiterlijk, het uiten van seksuele identiteit, gender expressie en de wijze waarop men elkaar benadert. Kortom, deze publieke gelegenheden zijn niet vrij van normativiteit. Ze zijn georganiseerd in relatie tot de mainstream, heteronormatieve samenleving en produceren homoseksuele en lesbische identiteiten met hun eigen normen en verwachtingen.Op een cultureel niveau, dat betrekking heeft op normatief uiterlijk en het uiten van seksuele identiteit, laveren jonge mannen die zich tot mannen aangetrokken voelden enerzijds tussen het conformeren aan normatieve gay verschijningen – die hen verbindt met andere homomannen – en anderzijds aan hegemonische mannelijkheid, wat hun status als man bevestigt en die hoger wordt gewaardeerd in de heteronormatieve genderorde. Hoewel het incidenteel laten zien van als gay aangemerkt gedrag grappig en bevrijdend kan zijn, wordt ‘te gay’ doen door veel van hen afgewezen.

Daarentegen is in lesbische publieke gelegenheden de ‘lesbische look’ juist belangrijk. Jonge vrouwen die zich tot vrouwen aangetrokken voelen en er conventioneel vrouwelijk uitzien, zeggen dat ze druk voelen om er ‘lesbisch genoeg’ uit te zien om zo geaccepteerd te worden in deze publieke gelegenheden. Op het interpersoonlijke niveau, dat zich richt op sociale en erotische interactie, moeten jonge mannen wennen aan de geseksualiseerde aard van interacties en de ervaring dat ze worden verleid. Lesbische publieke gelegenheden worden gekenmerkt door de dynamiek van kliekvorming en juist subtiele erotische communicatie.

Op basis van de bevindingen in de empirische hoofdstukken, heeft de onderzoekster vier conclusies getrokken over de uitwerking van heteronormativiteit, gender non-conformiteit en Nederlandse tolerantie op de levens van Nederlandse jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten.

1) Heteronormativiteit heeft op vele manieren impact in hun leven. De meerderheid van de jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten heeft weinig ervaring met ernstige, openlijke vormen van victimisatie. De meeste jongvolwassenen in dit onderzoek hebben constructieve manieren gevonden om hun seksuele oriëntatie te beleven en te uiten. Desalniettemin is de Nederlandse samenleving heteronormatief en kan Nederland niet worden beschouwd als post-gay. Deze jongvolwassenen krijgen te maken met kwesties zoals het accepteren van en vormgeven aan hun seksuele oriëntatie, openheid naar anderen, risico lopen op intolerant gedrag of negatieve ervaringen vanwege hun seksuele oriëntatie, terwijl heteroseksuele leeftijdsgenoten zich daar niet mee bezig hoeven te houden. Met andere woorden, het ervaren of verwachten van ongemakkelijke ontmoetingen vanwege hun seksuele oriëntatie is niet ongewoon. In plaats van out & proud zijn, wordt het labelingsproces van veel van deze jongvolwassenen gekenmerkt door de wens om als normaal te worden beschouwd. Normalisering is mogelijk voor de meesten, maar het vereist wel het produceren van normaliteit. Soms passen ze hun gedrag aan, doen ze zich voor als heteroseksueel, of ze bedekken hun seksuele oriëntatie. Veel jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten zijn erg tolerant ten aanzien van het accepteren van ongemakkelijke ontmoetingen, vooral wanneer dergelijke interacties subtiel zijn of als onopzettelijk worden beschouwd.

2) Voor een alomvattend begrip van heteronormativiteit is het cruciaal om te erkennen en te begrijpen dat heteronormativiteit nauw verbonden is met andere normativiteiten, en dat deze normativiteiten elkaar vormen. Van Lisdonk noemt dit intersecting normativities, ofwel normativiteiten die elkaar wederzijds kruisen of snijden. Jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten en die ook gender non-conform zijn, biseksueel zijn, die maatschappelijk normatieve idealen over gender en seksualiteit uitdagen, of die seksueel zijn georiënteerd op meer dan één gender krijgen te maken met ongemakkelijke reacties, subtiele afwijzing, voelen druk om zich te conformeren of te verbergen, of worden lastig geaccepteerd door anderen. Geconcludeerd wordt dan ook dat er met betrekking tot seksuele oriëntatie nieuwe scheidslijnen bestaan: het is niet meer cruciaal of jongvolwassen mensen heteroseksueel of niet-heteroseksueel zijn, het is complexer geworden. Een nieuwe scheidslijn is of jongvolwassenen hun seksuele oriëntatie kunnen en wensen uit te drukken op een manier die heteronormativiteit en de daarmee intersecterende normativiteiten niet uitdaagt.

3) Terwijl deze jonge mannen en jonge vrouwen beide te maken krijgen met het stereotype dat non-heteroseksualiteit wordt geassocieerd met gender non-conformiteit, zijn de uitdagingen verschillend omdat de relatie tussen heteronormativiteit, gender en gender non-conformiteit anders uitwerkt. Jonge mannen kunnen ‘gewoon homo’ zijn, jonge vrouwen kennen deze uitdrukking niet: er is niet zoiets als ‘gewoon lesbisch’. Voor vrouwen is er in de heteronormatieve samenleving ruimte voor seksueel gedrag met andere vrouwen, zolang die wordt voorgesteld als biseksueel of bi-nieuwsgierig. Dit is namelijk verenigbaar met de heteroseksuele ‘mannelijke blik.’ Vanwege het ontbreken van een ‘vrouwelijke blik’ is vergelijkbare ruimte voor seksueel gedrag tussen mannen in heteroseksuele contexten niet beschikbaar. Dit is een gevolg van de heteronormatieve, asymmetrische genderorde waarin vrouwen symbolisch gezien het object van erotische interesse zijn van mannen (mannelijke blik). Mannen zijn echter symbolisch gezien het subject van erotische interesse en ze worden daardoor niet op dezelfde wijze geobjectiveerd als vrouwen (afwezigheid van de vrouwelijke blik). Bovendien moeten jonge mannen in homo publieke gelegenheden zich verhouden tot ‘te gay’ zijn, terwijl jonge vrouwen in lesbische publieke gelegenheden moeten laten zien dat ze ‘lesbisch genoeg’ zijn.

4) Tot slot bleek het inderdaad zo te zijn dat jongvolwassenen met een seksuele oriëntatie gericht op seksegenoten de samenleving en hun eigen omgeving over het algemeen als tolerant ervaren, en dat hun levens worden beïnvloed door heteronormativiteit. Toch komt Van Lisdonk tot de conclusie dat ze deze bewering moet herzien: een meer accurate waarneming is dat heteronormativiteit wordt gevormd door de Nederlandse tolerantie, die is gegrond in de culturele noties van normaliteit. Dit streven naar normaliteit versterkt het denken in tegenstellingen van enerzijds ‘normale’ mensen en anderzijds ‘de anderen’ die niet normaal zijn. De trotsheid op de Nederlandse tolerantie van homoseksualiteit als nationale kernwaarde verbloemt de aanwezigheid van intolerantie en de meer subtiele manieren waarop de heteronormatieve samenleving druk kan uitoefenen op jonge mensen om zich normaal te gedragen.

De conclusie luidt dat er een verschuiving nodig is van ‘de acceptatie van homoseksualiteit’ naar juist meer aandacht voor de ‘heteronormativiteit’, dat er meer aandacht moet zijn voor (subtiele) intolerantie en dat in onderzoek en maatschappelijke aandacht het vizier moet verschuiven van het perspectief van gelijkheid naar een discours van seksuele- en genderdiversiteit.

Promotie Jantine van Lisdonk – Foto: Irene Hemelaar

 

(Bovenstaande tekst is een bewerkte, ingekorte en licht gecontextualiseerde versie van de Nederlandstalige samenvatting uit de betreffende dissertatie, aangevuld met fragmenten uit de presentatie die gebruikt werd tijdens de promotie(bijeenkomst))

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.