STIJN | Feuilleton #9

STIJN

“Ik begrijp er echt he-le-maal niks meer van lieve Stijn, waarom reageer je nu zo ontzettend geërgerd en waarom is dit zo’n big deal..? Denk je niet dat je nu overreageert door wat ons is overkomen en dat je dat nu op mij zit af te reageren? Ik heb nu al sinds gistermiddag niks meer van je gehoord en vind dit echt naar en raar. Vertel me gewoon wat er in je omgaat… alsjeblieft…? Knuf en zoen.” Stijn liet zijn telefoon in zijn hand naar beneden zakken en langs het bed bungelen. Hij keek met betraande ogen naar het plafond en voelde in zijn hoofd niks en in zijn buik alleen maar een dof en koud gevoel. “Ik begrijp jou niet meer en mezelf ook niet meer”, dacht hij er somber achteraan.

Nadat hij voor de zoveelste keer in een korte en onrustige slaap was gevallen en droomde van enorme sneeuwval die hem het zicht compleet ontnam en bovendien van wolven die hem achterna zaten en die hij kon horen huilen, schoot hij wakker met een vieze zure smaak in zijn mond en badend in het zweet. Hij trilde over zijn hele lijf en keek zijn slaapkamer rond. Met een lege blik liet hij zijn ogen langs zijn kledingkast gaan, waarvan de rechterdeur openstond waardoor te zien dat er maar weinig in lag en hing. “Geen wonder”, dacht hij wrang, “Alles hangt zo’n beetje bij die verrader van een Tom…”. Hij was sinds hij in zijn nieuwe appartement was gaan wonen nauwelijks thuis geweest, nadat hij totaal onverwacht in een soort van relatie terecht was gekomen. Hij hield zijn telefoon dichterbij zijn gezicht en las de berichtenreeks nog een keer door, vanaf het moment dat hij huilend het appartement van Tom had verlaten na zijn ‘ontdekking’.

Twee uur later, het was inmiddels acht uur ’s avonds, hoorde Stijn de voordeur open- en weer dichtgaan, “Joehoe!” roepen en een zware tas op de grond ploffen, gevolgd door het bonken van twee laarsjes die uitgingen. Na drie dagen zielig liggen zijn, afwisselend slapend en huilend en overlevend op twee afhaalmaaltijden en instantsoep, had hij toch maar besloten Marleen te appen. Ze keek voorzichtig om de hoek van zijn slaapkamer, schrok duidelijk van wat ze zag, liep daarna snel op zijn bed af en kwam naast hem zitten. “Hé gozertje, wat is toch allemaal aan de hand? Ik ben me rotgeschrokken toen je me vanmiddag appte dat je al dagen ziek thuis in bed ligt! Had toch eerder iets gezegd… Het is bovendien dat je er zonet nog aan toevoegde dat je híer (zei ze met half overslaande stem) was, anders was ik doodleuk naar het Piuspark gegaan; wat is er aan de hand in vredesnaam…?”

En toen stroomden niet alleen Stijns ogen leeg, maar ook zijn ziel, en hij vertelde dat hij met Tom verschrikkelijke ruzie had gekregen, nadat hij gevraagd had waarom Bart eigenlijk Toms telefoonnummer had gehad waarnaartoe hij de foto’s had gestuurd van het antihomo-geweld waar ze slachtoffer van waren geworden. Hij wist eigenlijk niet eens waardoor die vraag precies bij hem was opgekomen, maar waarschijnlijk kwam het omdat hij sinds de dag van het incident en het daarop volgende gesprek met agenten van Roze in Blauw, steeds als in een film de gebeurtenissen in een soort logische reeks aan zich voorbij zag trekken. Ineens had hij zich gerealiseerd dat de foto’s die Bart als omstander van de aanval had gemaakt *zomaar* diezelfde avond bij Tom op zijn telefoon waren binnengekomen toen ze samen op de bank zaten na te trillen. Toen de vraag eenmaal gesteld was had Tom hem even aan zitten kijken, eerst verbaasd en daarna met een wat gepijnigde blik, waarna hij tegen Stijn zei: “Omdat Bart blijkbaar mijn nummer nog had… van toen we kort iets met elkaar hadden”. De stilte die toen was gevallen leek uren te duren en was enorm pijnlijk, met name omdat Stijn met halfopen mond naar Tom had staan kijken (hij had in de open keuken net iets te drinken voor hen in staan te schenken) en Tom tegelijkertijd gegeneerd naar zijn handen keek die hij vroom voor zich in elkaar had gevouwen. Vervolgens was er een stevig gesprek gevolgd waaruit was gebleken dat Tom precies de weken voordat hij Stijn had ontmoet in de Dancing Queen een ‘fling’ had gehad met Bart, de jongen waarmee hij in de brugklas had gezeten, die verpleger was op de afdeling waar zijn moeder had gelegen en van wie Stijn juist had bemerkt dat Bart hém, Stijn, erg leuk had gevonden – mede gezien zijn flirterige opmerkingen in het ziekenhuis en tijdens de Sinterklaasintocht. Het gesprek was geëindigd in een ruzie over vertrouwen, openheid en eerlijkheid. Tom had nooit over hem en Bart verteld en bij Stijn waren daarop de stoppen doorgeslagen toen hij in gedachten ook nog ineens voor zich zag hoe Tom tijdens de Nieuwjaarsbijeenkomst Bart ogenschijnlijk onschuldig een feestelijke zoen op de mond had gedrukt.

Marleen gaf de snikkende Stijn, toen deze uitgesproken was en leeg voor zich uit zat te staren naar de openstaande kledingkast, een knuffel en hield hem even stevig vast. Toen bewoog ze zijn bovenlijf tot op armlengte van haarzelf, keek hem aan met haar warme blik en zei: “Maar waarom ben je nu zo boos op Tom? Hij had toch iets met Bart vóórdat jullie elkaar ontmoetten en iets kregen…?” Stijn keek haar ernstig aan (zoals alleen jonge mannen dat zo dramatisch kunnen, bedacht Marleen zich in een vlaag) en zei: “Bart kwam de hele tijd in ons verhaal voor, leek juist in mij geïnteresseerd – waar ik helemaal niet op zat te wachten – en nu blijkt hij een ex te zijn van mijn vrie-, van Tom…! Zonder dat ik dat wist!” “Wacht even”, zei Marleen, “Wilde je Tom nu ineens niet meer je vriendje noemen…?” “Ja, nou, dat weet ik niet… meer…” “Ach kom op, doe niet zo dramatisch, jullie zijn een hartstikke leuk stel samen!”, riep ze bijna verontwaardigd. “Ja maar hij had gewoon de hele tijd een geheim voor me over iemand die gewoon in onze buurt was! Dat had hij toch best eerder kunnen vertellen! Wie weet wat hij nog meer verzwijgt..!”, riep Stijn getergd. “Dit heeft helemaal niet zoveel met Tom te maken hè…?”, sprak Marleen voorzichtig terwijl ze haar beste vriend onderzoekend aankeek, “Volgens mij ben jij er nooit overheen gekomen dat Sander je verliet terwijl hij al een tijd iets met Pieter had… of niet…?” Stijn liet zich achterover vallen in zijn kussens en keek met grote betraande ogen naar het plafond.

Toen ze een half uur later aan de eettafel zaten die Stijns vader op maat had gemaakt voor de kleine L-vormige keuken in zijn appartement – Stijn lepelend van de soep die Marleen had klaargemaakt en etend van het verse brood dat ze erbij had gelegd, terwijl Marleen zelf met toestemming van Stijn de hele appconversatie van de jongens sinds die ruzie doorlas – merkte Stijn dat het, voor het eerst sinds dagen, enigszins rustig in zijn hoofd werd. De aanwezigheid van Marleen had, sinds hun eerste ontmoeting tijdens de introweek van de universiteit waaraan ze samen communicatie hadden gestudeerd, altijd al een rustgevend effect op hem gehad. Marleen was eigenlijk de zus geworden die hij als enig kind nooit had gehad; zijn ouders hadden haar vanaf het begin ook altijd als zodanig behandeld. Na lange tijd zei Marleen voorzichtig: “Jemig, wat een heftige emoties en wat een spraakverwarringen en wat een geblokkeerde emoties en frustraties… Maar jullie hebben tot gistermiddag dus nog wel gepraat…?” “Ja”, zei Stijn, “maar het ging maar in kringetjes en iedere keer kreeg ik het gevoel dat ik mijn teleurstelling en gekwetstheid niet uit mocht spreken”. “Ja, en had hij duidelijk het gevoel dat je het allemaal opblies, hem onterecht verwijten maakte en beschuldigde van wantrouwen.” Ze keek Stijn indringend aan, boog zich naar hem toe over tafel, pakte zijn handen en zei: “Je móet hem vertellen over Sander en wat dat met je gedaan heeft, Stijn. “Anders kan hij je nooit begrijpen en…” Ze pauzeerde even. “… loop jij het risico een hele leuke vent kwijt te raken.”

Tekst: Christian Curré
Illustraties: Wilbert van der Steen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *